Rechtbank Rotterdam acht blowverbod onverbindend

De Rechtbank Rotterdam acht het blowverbod in de Rotterdamse APV onverbindend. De APV verbiedt dezelfde gedragingen als de Opiumwet en dat is niet toegestaan. Eerder kwam de Afdeling al tot dezelfde conclusie.

De kantonrechter Amsterdam achtte het blowverbod weer wel rechtmatig.

Het OM heeft aangekondigd in hoger beroep gegaan. Wordt vervolgd. Lees verder

Gebiedsverbod drugshandelaar wegens overtreding APV rechtmatig

Het college van b&w legt op grond van de APV een drugshandelaar een gebiedsverbod (verwijderingsbevel) voor 24 uur op. De rechtbank acht dit rechtmatig. Er is sprake van een verstoring van de openbare orde. Dat de APV strijdig is met de Opiumwet is niet gebleken. Een verwijzing naar de Afdelingsuitspraak over het blowverbod door de drugshandelaar helpt hem dus niet. Lees verder

Het blowverbod opnieuw uitgevonden?

Een verdachte wordt vervolgd vanwege overtreding van art. 10 APV Utrecht. Dat artikel luidt als volgt:

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 424, 426 bis en 431 van het Wetboek van Strafrecht is het verboden op of aan de weg, of in een voor het publiek toegankelijk gebouw op enigerlei wijze de orde te verstoren, zich hinderlijk te gedragen, personen lastig te vallen, te vechten, deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.

De verdachte zou drugs hebben gebruikt op straat en daarom de openbare orde hebben verstoord. In hoger beroep gebeurd er wat bijzonders. De Advocaat-Generaal verzoekt om ontslag van alle rechtsvervolging aangezien het verbod onverbindend is:

Mijns inziens dient art. 10 lid 1 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Utrecht onverbindend te worden verklaard wegens strijd met een hogere regeling. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft op 13 juli 2011 geoordeeld dat het per APV verbieden van het gebruiken of aanwezig hebben van drugs in strijd is met de Opiumwet. Ik leg een persbericht over, dat verwijst naar de betreffende uitspraak, nr. 201009884/1 (LJN BR1425). De ABRvS is het hoogste rechtsorgaan op dit gebied, waardoor er geen rechtsmiddel tegen deze beslissing openstaat. Zij heeft hiermee duidelijk een richting aangegeven. Het proces-verbaal van bevindingen van een verbalisant biedt voldoende bewijs van het gebruik van drugs door verdachte. Naar mijn mening is verdachte echter niet strafbaar. Ik concludeer dan ook tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en vorder verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Het hof gaat daar niet in mee:

Gewezen kan worden dat er sprake is van een overtreding van art. 10 lid 1 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Utrecht. Dit artikel behelst een regeling omtrent de (voorbereiding van) het gebruik van verdovende middelen. Er is echter geen sprake van een rechtstreeks verbod op het aanwezig hebben van de middelen die vallen onder Opiumwet. Hoewel er in sommige gevallen de facto een overlapping met de Opiumwet kan ontstaan, is deze bepaling door zijn formulering ruimer, aangezien zij mede ziet op de voorbereiding en niet enkel op het ‘voltooide’ delict. Mede gelet op het in de APV-bepaling uitgedrukte doel van het betreffende verbod, te weten de handhaving van de openbare orde, dat is het gevoel van vrede en veiligheid van de burger, is er geen juridisch relevante overlapping met de Opiumwet, die als doel heeft het bevorderen van de volksgezondheid. Het hof ziet daarom geen aanleiding om art. 10 lid 1 APV Utrecht onverbindend te verklaren.

De verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete.

Zie LJN: BV3446.

Blowverbod onverbindend na uitspraak Raad van State?

In de APV van Amsterdam is een blowverbod te vinden:

Ingevolge artikel 2.17, vijfde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam 2008 (hierna: de APV) is het verboden op door de burgemeester aangewezen wegen of weggedeelten softdrugs te gebruiken of openlijk voorhanden te hebben.

Bewoners verzoeken om het instellen van een blowverbod in hun straat.

De Raad van State stelt dat het blowverbod verbindende kracht mist. Eerst onderzoekt de Afdeling of het gebruik van drugs en blowen al strafbaar zijn:

De Afdeling ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het bepaalde in artikel 2.17, vijfde lid, van de APV zich verdraagt met de Opiumwet, in het bijzonder met het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder C, van die wet. Laatstgenoemde bepaling verbiedt het om middelen als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II, in het algemeen gangbaar spraakgebruik aangeduid als softdrugs, aanwezig te hebben. Overtreding hiervan is strafbaar. Naar het oordeel van de Afdeling is ook het gebruiken van softdrugs strafbaar op grond van de Opiumwet, omdat dit het aanwezig hebben ervan impliceert (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 14 december 2004; LJN: AR4923). Steun voor dit oordeel wordt gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3 van de Opiumwet, waarin is vermeld dat het ‘aanwezig hebben’ het ‘aanwenden’ van softdrugs mede omvat (Kamerstukken II 1974/75, 13 407, nrs. 1-3, blz. 14, 19 en 20).

Vervolgens bekijkt de Afdeling het blowverbod:

Artikel 2.17, vijfde lid, van de APV geeft de burgemeester de bevoegdheid een gebied aan te wijzen waarin het verboden is, en op grond van artikel 6.1 van de APV strafbaar is gesteld, om softdrugs te gebruiken of openlijk voorhanden te hebben. Gelet op het vorenoverwogene zijn deze handelingen echter reeds verboden op grond van artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet, en strafbaar gesteld op grond van artikel 11, eerste lid, van de Opiumwet. Voor gemeentelijke verbods- en strafbepalingen die deze voorschriften uit de Opiumwet dupliceren bestaat, ongeacht het motief dat daaraan ten grondslag ligt, geen ruimte.

Er is dus sprake van overlap. Dit leidt tot de volgende conclusie:

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat artikel 2.17, vijfde lid, van de APV in strijd is met artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet en dus verbindende kracht mist. De burgemeester was derhalve niet bevoegd om op grond van die bepaling een locatie aan te wijzen als gebied waar een softdrugsverbod geldt. Reeds hierom diende hij het tot een dergelijke aanwijzing strekkende verzoek van [appellant] en anderen af te wijzen. Voor een nadere, inhoudelijke beoordeling van het verzoek bestond geen ruimte.

Het blowverbod mist dus verbindende kracht en is een dode letter in de APV geworden. Eerder was al voorspeld dat de dagen van een integraal blowverbod geteld waren. Het wordt echter betwijfeld of dit verbod (gericht op het tegengaan van hinder) wel onverbindend is. Zie hier.

Zie LJN: BR1425