PvdA stelt in kamervragen over voetbalrellen Utrecht dat Voetbalwet niet voldoet

Vragen van de leden Van Dekken en Marcouch (beiden PvdA) aan de minister van Veiligheid en Justitie over voetbalrellen in Utrecht (ingezonden 7 december 2011). Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 12 januari 2012).

Vraag 1

Kent u het bericht «Acht agenten gewond bij voetbalrellen»1, het bericht «Voetbalrellen: beschuldigende vinger naar supporters Utrecht»2 en het bericht «PVV en PvdA willen aanscherping voetbalwet»?3
Antwoord 1

Ja.
Vraag 2

Deelt u de mening dat de verantwoordelijken voor de rellen in Utrecht de betrokken daders, zichzelf supporter noemende, zijn? Zo nee, wie acht u dan wel verantwoordelijk?
Antwoord 2

Op dit moment loopt nog een grootschalig onderzoek naar de rellen tijdens en na de wedstrijd tussen FC Utrecht en FC Twente op 4 december jongstleden. De verantwoordelijkheid voor de rellen ligt bij de personen die geweld hebben gepleegd tegen onder meer de politie. Wie dat zijn staat nog niet vast.
Vraag 3

Deelt de mening dat er geen enkel excuus mag gelden voor supporters die politieagenten met stenen bekogelen of vernielingen verrichten, ook niet als zij geprovoceerd zijn door supporters van de tegenpartij of een nederlaag van hun club? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3

Ja.
Vraag 4

Hoe is de informatie-uitwisseling tussen de verschillende politiekorpsen over mogelijke risico’s rond een voetbalwedstrijd geregeld? Acht u deze informatie-uitwisseling adequaat? Zo ja, heeft deze informatie-uitwisseling voorafgaande aan de voetbalwedstrijd FC Utrecht-FC Twente gegevens opgeleverd die duiden op een hoog risico? Zo nee, wat moet er dan worden verbeterd?
Antwoord 4

Alle politiekorpsen in Nederland met betaald voetbal in hun werkgebied maken gebruik van het Voetbal Volg Systeem. Met behulp van dit systeem wordt informatie uitgewisseld over te spelen wedstrijden (zowel nationaal als internationaal; zowel beker-, oefen- als competitiewedstrijden). Via dit systeem wordt ook informatie uitgewisseld over personen die aangehouden zijn, personen met een stadionverbod en gegevens uit een databank met notoire verstoorders van de openbare orde.
Ruim voordat een wedstrijd gespeeld wordt (in de regel 8 tot 12 weken) vindt een overleg plaats tussen beide clubs. Hieraan nemen ook de politiekorpsen van beide regio’s deel en in sommige gevallen ook supporterscoördinatoren en de betreffende gemeente. In dit vooroverleg komen onder andere de wijze van vervoer, de te verwachten risico’s, het aantal beschikbare kaarten en het aantal stewards dat de bezoekende club meeneemt aan de orde.
Doorlopend wordt informatie uitgewisseld tussen de korpsen die specifiek inzoomt op (dreigende) verstoringen van de openbare orde. Deze uitwisseling kan verlopen via de voetbalcoördinatoren van de betreffende korpsen of via de regionale inlichtingendiensten van de betreffende korpsen.
Ook voorafgaand aan de wedstrijd FC Utrecht-FC Twente is de geschetste werkwijze gevolgd.
Het landelijke Auditteam Voetbal & Veiligheid zal onderzoek doen naar de gang van zaken rond de bewuste wedstrijd. Afhankelijk van de uitkomsten van de audit kan er aanleiding zijn om verbeteringen in het werkproces door te voeren.
Vraag 5

Deelt u de mening dat voetbalgeweld een probleem is dat de grenzen van gemeenten overstijgt en daarom nationaal dient te worden aangepakt? Zo ja, hoe denkt u over de inzet van een gespecialiseerd politieteam en een officier van justitie voor voetbalgeweld? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5

Voetbalvandalisme is geen lokaal fenomeen, en overschrijdt zelfs in toenemende mate de landsgrenzen. Die constatering bestempelt de aanpak van deze problematiek echter niet als vanzelf tot een nationale aangelegenheid. Het bestrijden van voetbalgeweld behoort tot de reguliere politietaak van de politieregio’s. De regionale korpsen en het KLPD werken intensief samen met gemeentebesturen en Openbaar Ministerie, mede dankzij de, in veel korpsen ingerichte, «voetbaleenheden» en het landelijk opererende Centraal Informatiepunt Voetbalvandalisme (CIV). Het CIV fungeert als gespecialiseerd landelijk team ten dienste van de korpsen met als doel het verspreiden van informatie over potentiële ordeverstoorders en het aanbieden van best practices rondom de aanpak van voetbalvandalisme. De nationale schaal waarop de politie in 2012 zal zijn georganiseerd zal de slagkracht bij het aanpakken van dit fenomeen verder vergroten.
Aparte voetbalofficieren bestaan al. Ieder parket met een betaald voetbalclub in het arrondissement heeft een voetbalofficier. De werkwijze van de voetbalofficier staat beschreven in de Aanwijzing bestrijding van voetbalvandalisme en -geweld. Er is ook een landelijke voetbalofficier. Dat is thans de hoofdofficier van Amsterdam.
Vraag 6

Gaat u bij het vaststellen van de nationale prioriteiten voor de Nationale Politie extra aandacht schenken aan de bestrijding van voetbalvandalisme en daar bij de verdeling van het budget en politieagenten ook rekening mee houden zodat de burgemeesters in voorkomende gevallen over voldoende capaciteit beschikken? Zo ja, bent u bereid met burgemeesters van de steden met betaald voetbalorganisaties in overleg hierover te treden? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 6

De nationale prioriteiten voor de politie zijn bepaald tot en met het jaar 2014. De aanpak van voetbalvandalisme behoort daar niet toe. Dat betekent uiteraard niet dat er geen aandacht is voor de aanpak van dit fenomeen. Zie mijn brief van 21 december 2011, kenmerk 204 886, waarin ik de maatregelen om dit fenomeen aan te pakken uiteenzet.
Binnen het huidige regionale bestel stellen de korpsbeheerders extra politiecapaciteit ter beschikking indien burgemeesters die met het oog op de handhaving van de openbare orde rondom voetbalwedstrijden nodig hebben. Waar nodig kan de mobiele eenheid (ME) in paraatheid worden gebracht of extra ME worden aangevraagd. Bij de vorming van de nationale politie zullen robuuste districten en basiseenheden ontstaan waarmee voldoende capaciteit, waar nodig met bijstandsverlening door andere regionale eenheden van de nationale politie, kan worden verzekerd.
Vraag 7

Bent u bekend met het succesvolle programma Hooligans in Beeld, waarin diverse korpsen samenwerken om voetbalrelschoppers aan te pakken? Doet het korps Utrecht hier aan mee? Zo nee waarom niet? Bent u bereid alle korpsen verplicht deel te laten nemen aan Hooligans in Beeld?
Antwoord 7

Ik ben bekend met het programma. Het korps Utrecht doet hier ook aan mee. Ik vind het wenselijk dat alle korpsen deel nemen aan het programma Hooligans in Beeld en zal hen hier op aanspreken.
Vraag 8 en 9

Deelt u de mening dat de huidige Voetbalwet (Stb. 2010, nr. 325) tekortschiet als het gaat om het voorkomen dat supporters die eerder ernstig over de schreef zijn gegaan, dat weer doen? Zo ja, op welke punten? Zo nee, hoe kunt u dan aantonen dat deze wet wel effectief werkt in het geval van het tegengaan van supportersgeweld?
Deelt u de mening dat de mogelijkheden voor het opleggen van een gebiedsverbod moeten worden verruimd en dat in het algemeen de straffen voor supportersgeweld omhoog moeten? Zo ja, hoe gaat u hierin tegemoet komen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 8 en 9

Gelet op de behoefte om op korte termijn zicht te hebben op de toepassing van de wet en eventuele knelpunten daarbij heb ik besloten de voor de tweede helft van 2012 aangekondigde evaluatie van de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast (mbveo) te vervroegen en nu te starten. De mogelijkheden voor het opleggen van een gebiedsverbod en de strafmaat voor supportersgeweld zullen deel uitmaken van de te houden evaluatie. Aan de hand van de uitkomsten zal worden bezien welke maatregelen de toepassing van de wet mbveo kunnen verbeteren. Na afronding van de evaluatie zal ik u hierover informeren.
Wellicht ten overvloede meld ik u nog dat met het wetsvoorstel Rechterlijk gebieds- of contactverbod dat op 1 april aanstaande in werking treedt, de mogelijkheden voor het opleggen van een gebiedsverbod worden verruimd. De strafrechter kan dan aan een te veroordelen verdachte van een strafbaar feit een gebiedsverbod opleggen voor maximaal twee jaar.
Vraag 10

Kunt u deze vragen vόόr het dertigledendebat in de Kamer over dit onderwerp beantwoorden?
Antwoord 10

Ja.

Zie hier.

Kamervragen over rellen hooligans Feijenoord

Vragen van de leden Marcouch en Van Dekken (beiden PvdA) aan de minister van Veiligheid en Justitie over de reactie van OM en politie op rellen door Feyenoordhooligans (ingezonden 22 september 2011).

Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 3 november 2011). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 246.

Vraag 1

Kent u het bericht «Nog één verdachte rellen de Kuip vast»?1 Hoe heeft u gereageerd op de handelswijze van het Openbare Ministerie (OM) tegen het ruziezoekend tuig dat het bestuursgebouw van Feyenoord bestormde, waardoor nog slechts één persoon in voorarrest zit?
Antwoord 1

Ja. Ik heb van een en ander kennis genomen.
Vraag 2

Klopt het dat twee verdachten heengezonden zijn terwijl hun aandeel in de rellen later groter bleek te zijn? Hoeveel langer hadden zij op basis van dit grotere aandeel in voorarrest gehouden kunnen worden? Klopt het dat deze twee personen niet opnieuw in voorarrest genomen kunnen worden?
Antwoord 2

Het klopt dat twee verdachten met een dagvaarding zijn heengezonden omdat hun aandeel in de rellen in eerste instantie klein leek. Als op dat moment bekend was geweest dat deze verdachten zich schuldig hadden gemaakt aan openlijke geweldpleging, hadden zij in verzekering kunnen worden gesteld en worden voorgeleid aan de rechter-commissaris. Op 22 september jongsleden zijn beide verdachten alsnog ter zake van de verdenking van openlijke geweld in voorlopige hechtenis genomen. De hechtenis van een van deze verdachten is diezelfde dag door de rechter-commissaris geschorst. Ten aanzien van de andere verdachte is de bewaring gelast.
Vraag 3

Hoe kan het dat, met zoveel politie in de buurt en andere bewijsmiddelen voorhanden, het aandeel van deze twee daders te laat duidelijk werd? Hoe gaat u voorkomen dat door dergelijke blunders opnieuw gewelddadige hooligans te snel vrijkomen?
Vraag 3

Hoe kan het dat, met zoveel politie in de buurt en andere bewijsmiddelen voorhanden, het aandeel van deze twee daders te laat duidelijk werd? Hoe gaat u voorkomen dat door dergelijke blunders opnieuw gewelddadige hooligans te snel vrijkomen?
Antwoord 4

Het Openbaar Ministerie zet fors in op de opsporing en vervolging van deze verdachten. Zo zijn er foto’s van verdachten op billboards gepubliceerd in het centrum van Rotterdam, waarmee de hulp van het publiek wordt ingeroepen.
Aangezien het strafrechtelijk onderzoek naar de verdachten nog in volle gang is, kan ik op dit moment geen verdere mededelingen doen.
Vraag 5

Ziet u meerwaarde in een levenslang stadionverbod voor hooligans die rond voetbalwedstrijden zo gericht geweld gebruiken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op wat voor termijn wilt u hiervoor de Voetbalwet aanpassen?
Antwoord 5

Na de zomer van 2012 wordt de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast geëvalueerd. Ik wil deze evaluatie afwachten voordat ik uitspraken doe over mogelijke aanpassingen aan deze wet.

Zie hier.

Vragen van het lid Berndsen (D66) aan de minister van Veiligheid en Justitie over rellen veroorzaakt door voetbalsupporters in Rotterdam (ingezonden 20 september 2011).

Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 3 november 2011). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 24.

Vraag 1

Wat is uw reactie op de schrikbarende situatie in Rotterdam dit weekeinde, waarbij rellende voetbalsupporters zo ver over de schreef zijn gegaan dat de politie het vuurwapen moest trekken?1
Antwoord 1

Ik betreur deze rellen ten zeerste.
Vraag 2

Bent u van mening dat in het algemeen het lokale gezag voldoende middelen in handen heeft om dit soort ongeregeldheden adequaat te bestrijden?
Zo ja, welke middelen beschouwt u hiervoor als voldoende adequaat?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2

Ja. De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) kan de burgemeester diverse middelen in handen geven om overlast en ordeverstoringen tegen te gaan. Daarnaast beschikt de burgemeester op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet, over een bevoegdheid om een gebieds- en/ of samenscholingsverbod te geven. Tot slot beschikt de burgemeester over noodrechtbevoegdheden. In geval van (acute) ernstige openbare ordeverstoringen kan de burgemeester alle bevelen geven dan wel verordeningen vaststellen die hij nodig acht om de openbare orde te handhaven.
Vraag 3, 4

Is in dit geval de Voetbalwet ingezet om de genoemde rellen in Rotterdam te bestrijden? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Biedt de Voetbalwet volgens u voldoende handvatten om ongeregeldheden zoals deze adequaat te bestrijden? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3, 4

De Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast is in dit geval niet ingezet. De Wet is bedoeld voor de aanpak van personen, die individueel of in groepsverband in het verleden herhaaldelijk de openbare orde hebben verstoord of bij die groepsgewijze ordeverstoringen een leidende rol hebben gehad en jegens wie ernstige vrees voor verdere ordeverstoring bestaat. Uit een dossier moet het plegen van herhaaldelijke overlast blijken. Het ging in de onderhavige casus echter om «first offenders», niet om notoire overlastplegers.

Zie hier.

Karatelessen voor overlastjeugd Gouda leiden tot Kamervragen CDA

Vragen van het lid Çörüz (CDA) aan de ministers van Veiligheid en Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over karatelessen voor Marokkaanse probleemjongeren in Gouda (ingezonden 5 augustus 2011).

Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie), mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (ontvangen 21 september 2011) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 3447.

Vraag 1

Heeft u kennisgenomen van de artikelen over Marokkaanse probleemjongeren die karatelessen krijgen welke gesubsidieerd worden door de gemeente Gouda?1

Antwoord 1

Ja.
Vraag 2

Is het u bekend of dit project is aangemeld bij de Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie?
Antwoord 2

Het project is niet aangemeld bij de Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie. Bij deze Commissie worden uitsluitend gedragsinterventies ingediend die in strafrechtelijk kader kunnen worden opgelegd, bijvoorbeeld als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke sanctie. Vanwege het feit dat deze interventies in een (strafrechtelijk) dwangkader plaatsvinden, worden hoge eisen gesteld aan de (wetenschappelijke) onderbouwing van de effectiviteit van de interventie op het terugdringen van recidive.
Het gemeentelijke project in Gouda wordt niet in een strafrechtelijk kader opgelegd en valt om die reden buiten het beoordelingsgebied van de Erkenningscommissie.

Vraag 3

Worden deze karatelessen gefinancierd uit de extra gelden die zijn gecreëerd na afloop van de rellen in Gouda?

Antwoord 3

Het project wordt gefinancierd uit eenmalige specifieke middelen voor veiligheid die door het Rijk aan Gouda ter beschikking zijn gesteld. Hierbij is van belang te vermelden dat het hoofddoel van het project het investeren in deskundigheidsbevordering van de sportclubs is, zodat zij op een positieve manier bijdragen aan het maatschappelijke klimaat. Trainers/coaches bij deze verenigingen ontvangen een opleiding «docent agressieregulatie en weerbaarheid» en krijgen daarna ondersteuning bij de implementatie binnen de vereniging.

Vraag 4

Is het mogelijk dat na de motie Çörüz (Kamerstuk 30 332, nr. 13) er nog steeds projecten worden gesubsidieerd waarvan niet is gebleken dat deze bijdragen een vermindering van overlast en criminaliteit?

Antwoord 4

De motie Çörüz had betrekking op rijksprogramma’s in het kader van het strafrecht. Voor de uitvoering van de in de vraag genoemde motie, verwijs ik u naar de voortgangsrapportage Veiligheid begint bij Voorkomen, TK 28 684, nr. 119.
Gouda baseert zich bij de keuze voor dit project op een onderzoek dat het Mulier Instituut in het kader van het door het Rijk gesubsidieerde programma «Meedoen alle jeugd door sport» heeft gedaan. Het onderzoek laat zien dat vechtsportdeelname een bijdrage kan leveren aan persoonlijke groei en het verminderen van probleemgedrag door onder meer disciplinering en agressieregulatie. De resultaten van dit onderzoek, gebaseerd op meerjarige praktijkervaring in meerdere gemeenten, geven de gemeente aanleiding om te verwachten dat de aangeboden activiteiten een bijdrage zullen leveren aan een positieve maatschappelijke betrokkenheid van de deelnemende jongeren.
Aanvullend daarop kan ik u melden dat het huidige kabinet geen nieuwe middelen heeft toegekend voor de aanpak van (Marokkaanse en Antilliaanse) risicojongeren. Specifieke problemen worden via reguliere instanties en reguliere maatregelen aangepakt. In 2011 en 2012 worden enkel nog middelen uitgekeerd die voortkomen uit eerder aangegane verplichtingen. Bestaande specifieke maatregelen gericht op de aanpak van problemen die zich in sommige groepen in versterkte mate voordoen, worden de komende periode ingebed in regulier beleid. In het verlengde daarvan worden de middelen voor de aanpak van Marokkaans- en Antilliaans-Nederlandse risicojongeren eind 2012 beëindigd. Er wordt voor doelgroepbeleid geen apart budget meer vrijgemaakt. De in de motie Cöruz gevraagde uitbreiding van het mandaat van de Erkenningscommissie gedragsinterventies (zie antwoord op vraag 2) is derhalve niet aan de orde.
Toelichting:
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van de leden Van Klaveren, Bontes en Wilders (allen PVV), ingezonden 5 augustus 2011(vraagnummer 2011Z15942)

Zie hier.

Kamervragen over Marokkaanse criminele jeugdgroepen

Vragen van de leden Van Klaveren, Helder en Wilders (allen PVV) aan de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Veiligheid en Justitie over de voortgaande straatterreur door Marokkanen (ingezonden 10 mei 2011).

Antwoord van minister Donner (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), mede namens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (ontvangen 25 augustus 2011) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 2684.

Vraag 1

Bent u bekend met het artikel «Groep slaat jongen (17) bewusteloos»?1
Antwoord 1

Ja.
Vraag 2

Deelt u de visie dat alles op alles moet worden gezet om dit laffe tuig achter de tralies te krijgen en niet weg te laten komen met een taakstrafje? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2

Het vertoonde gedrag is ontoelaatbaar. Momenteel is nog niet bekend door wie de jongen geslagen is. Indien tot vervolging wordt overgegaan is het aan het OM welke strafvordering wordt gedaan, gelet op het delict, de persoon van de dader(s) en het aangedane leed. Op grond van de individuele feiten en omstandigheden zoals deze door de rechtbank worden vastgesteld, zal straftoemeting plaatsvinden.
Vraag 3

In hoeverre bent u van mening dat de enige structurele oplossing van het Marokkaans straatterrorisme het denaturaliseren en uitzetten van de daders is?
Antwoord 3

Ik deel uw mening niet. Sinds 1 oktober 2010 maakt de Rijkswet op het Nederlanderschap het mogelijk om de Nederlandse nationaliteit in te trekken van personen met een dubbele nationaliteit die veroordeeld zijn voor misdrijven die tegen de veiligheid van de staat zijn gericht. Het kabinet spreekt met landen die partij zijn bij het Europees Verdrag inzake nationaliteit over mogelijkheden om de grenzen die het Verdrag aangeeft voor de intrekking van nationaliteit zo te interpreteren of verdragsrechtelijk aan te vullen dat ook de veroordeling voor bepaalde zware commune misdrijven aanleiding kan zijn tot intrekking van de nationaliteit. Ik verwacht dat daarover komend najaar duidelijkheid zal ontstaan en kan daar dus niets over zeggen.
Het kabinet noemt hierbij misdrijven waarvoor een gevangenisstraf van 12 jaar of meer opgelegd kan worden. Hoewel nog niet vaststaat wat de daders in het bovengenoemde geval ten laste zal worden gelegd, moet hier worden opgemerkt dat, als het gaat om eenvoudige mishandeling als bedoeld in artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht, deze misdrijven niet binnen de termen van de voorgenomen maatregelen vallen en dus ook na wijziging van de Rijkswet Nederlanderschap in bedoelde zin geen aanleiding zullen kunnen zijn tot intrekking van de Nederlandse nationaliteit.
Vraag 4

Welke maatregelen gaat u treffen teneinde het straatterrorisme uit te bannen? Op welke termijn?
Antwoord 4

Er zijn verschillende instrumenten beschikbaar die bijdragen aan het tegengaan van overlast en handhaving van de openbare orde en veiligheid. Enkele voorbeelden hiervan: APV-bepalingen, artikel 172 Gemeentewet, gebiedsverboden op grond van voorgaande instrumenten, toepassing van de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast. Verder verwijs ik naar de brief over de aanpak van criminele jeugdgroepen van 18 mei 2011.
Vraag 5

Hoe duidt u de conclusie van het onderzoek van de heer Pfeiffer (van het criminologisch onderzoeksinstituut Niedersachsen) dat er een relatie bestaat tussen agressief gedrag en de islam?
Antwoord 5

De heer Pfeiffer ondervroeg voor dit onderzoek 45 000 tieners uit 61 steden en regio’s in Duitsland. De resultaten geven volgens hem aan dat moslimjongens uit allochtone gezinnen vaker kans hadden om in te stemmen met de voorgelegde uitspraken, dan jongens uit gezinnen van christelijke immigranten. Volgens de onderzoeker is er geen sprake van een rechtstreeks verband tussen het islamitisch geloof en geweld – maar mogelijk wel een indirect verband. De onderzoeker legt onder meer een relatie met de integratie van deze jongeren in de Duitse samenleving. Zover mij bekend is er geen vergelijkbaar onderzoek gedaan in hoeverre Nederlandse moslimjongeren instemmen met voorgelegde uitspraken. Ik kan in die zin ook geen verband leggen met het door u aangehaalde incident.

Zie hier.