Kamervragen over rellen hooligans Feijenoord

Vragen van de leden Marcouch en Van Dekken (beiden PvdA) aan de minister van Veiligheid en Justitie over de reactie van OM en politie op rellen door Feyenoordhooligans (ingezonden 22 september 2011).

Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 3 november 2011). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 246.

Vraag 1

Kent u het bericht «Nog één verdachte rellen de Kuip vast»?1 Hoe heeft u gereageerd op de handelswijze van het Openbare Ministerie (OM) tegen het ruziezoekend tuig dat het bestuursgebouw van Feyenoord bestormde, waardoor nog slechts één persoon in voorarrest zit?
Antwoord 1

Ja. Ik heb van een en ander kennis genomen.
Vraag 2

Klopt het dat twee verdachten heengezonden zijn terwijl hun aandeel in de rellen later groter bleek te zijn? Hoeveel langer hadden zij op basis van dit grotere aandeel in voorarrest gehouden kunnen worden? Klopt het dat deze twee personen niet opnieuw in voorarrest genomen kunnen worden?
Antwoord 2

Het klopt dat twee verdachten met een dagvaarding zijn heengezonden omdat hun aandeel in de rellen in eerste instantie klein leek. Als op dat moment bekend was geweest dat deze verdachten zich schuldig hadden gemaakt aan openlijke geweldpleging, hadden zij in verzekering kunnen worden gesteld en worden voorgeleid aan de rechter-commissaris. Op 22 september jongsleden zijn beide verdachten alsnog ter zake van de verdenking van openlijke geweld in voorlopige hechtenis genomen. De hechtenis van een van deze verdachten is diezelfde dag door de rechter-commissaris geschorst. Ten aanzien van de andere verdachte is de bewaring gelast.
Vraag 3

Hoe kan het dat, met zoveel politie in de buurt en andere bewijsmiddelen voorhanden, het aandeel van deze twee daders te laat duidelijk werd? Hoe gaat u voorkomen dat door dergelijke blunders opnieuw gewelddadige hooligans te snel vrijkomen?
Vraag 3

Hoe kan het dat, met zoveel politie in de buurt en andere bewijsmiddelen voorhanden, het aandeel van deze twee daders te laat duidelijk werd? Hoe gaat u voorkomen dat door dergelijke blunders opnieuw gewelddadige hooligans te snel vrijkomen?
Antwoord 4

Het Openbaar Ministerie zet fors in op de opsporing en vervolging van deze verdachten. Zo zijn er foto’s van verdachten op billboards gepubliceerd in het centrum van Rotterdam, waarmee de hulp van het publiek wordt ingeroepen.
Aangezien het strafrechtelijk onderzoek naar de verdachten nog in volle gang is, kan ik op dit moment geen verdere mededelingen doen.
Vraag 5

Ziet u meerwaarde in een levenslang stadionverbod voor hooligans die rond voetbalwedstrijden zo gericht geweld gebruiken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op wat voor termijn wilt u hiervoor de Voetbalwet aanpassen?
Antwoord 5

Na de zomer van 2012 wordt de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast geëvalueerd. Ik wil deze evaluatie afwachten voordat ik uitspraken doe over mogelijke aanpassingen aan deze wet.

Zie hier.

Vragen van het lid Berndsen (D66) aan de minister van Veiligheid en Justitie over rellen veroorzaakt door voetbalsupporters in Rotterdam (ingezonden 20 september 2011).

Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 3 november 2011). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 24.

Vraag 1

Wat is uw reactie op de schrikbarende situatie in Rotterdam dit weekeinde, waarbij rellende voetbalsupporters zo ver over de schreef zijn gegaan dat de politie het vuurwapen moest trekken?1
Antwoord 1

Ik betreur deze rellen ten zeerste.
Vraag 2

Bent u van mening dat in het algemeen het lokale gezag voldoende middelen in handen heeft om dit soort ongeregeldheden adequaat te bestrijden?
Zo ja, welke middelen beschouwt u hiervoor als voldoende adequaat?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2

Ja. De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) kan de burgemeester diverse middelen in handen geven om overlast en ordeverstoringen tegen te gaan. Daarnaast beschikt de burgemeester op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet, over een bevoegdheid om een gebieds- en/ of samenscholingsverbod te geven. Tot slot beschikt de burgemeester over noodrechtbevoegdheden. In geval van (acute) ernstige openbare ordeverstoringen kan de burgemeester alle bevelen geven dan wel verordeningen vaststellen die hij nodig acht om de openbare orde te handhaven.
Vraag 3, 4

Is in dit geval de Voetbalwet ingezet om de genoemde rellen in Rotterdam te bestrijden? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Biedt de Voetbalwet volgens u voldoende handvatten om ongeregeldheden zoals deze adequaat te bestrijden? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3, 4

De Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast is in dit geval niet ingezet. De Wet is bedoeld voor de aanpak van personen, die individueel of in groepsverband in het verleden herhaaldelijk de openbare orde hebben verstoord of bij die groepsgewijze ordeverstoringen een leidende rol hebben gehad en jegens wie ernstige vrees voor verdere ordeverstoring bestaat. Uit een dossier moet het plegen van herhaaldelijke overlast blijken. Het ging in de onderhavige casus echter om «first offenders», niet om notoire overlastplegers.

Zie hier.

Kamervragen over aanpak hennepteelt

Vragen over hennepteelt van het lid Van der Ham (D66) aan de minister van Veiligheid en Justitie (ingezonden 13 april 2011).

Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 28 april 2011).

Vraag 1

Wat is uw reactie op het onderzoek van een recherchedeskundige van de politie Zuid-Limburg inzake de aanpak van wietteelt? Hoe beoordeelt u de constatering dat er te weinig doorgerechercheerd wordt bij wietteelt zaken?1

Antwoord 1

Ik deel niet de conclusie van het artikel dat de aanpak van hennepteelt faalt. De doelstelling van dit kabinet is juist om de criminele organisaties achter de hennepteelt zo hard mogelijk aan te pakken. Doorrechercheren bij de ontmanteling van hennepkwekerijen is één van de manieren om dit te bereiken. Het vaker doorrechercheren is een belangrijk onderdeel van de versterking van de aanpak van hennepteelt die nu in gang is gezet.

Vraag 2

Wat is uw reactie op de stelling dat bij het opsporen van wietteelt er prioriteit moet worden gegeven aan het opsporen van telers en organisaties die fijnmazig verknoopt zijn met misdadige organisaties en andersoortige misdaad en het tegengaan van onveilige situaties voor omwonenden?

Antwoord 2

Ik ben het met deze stelling eens. Het krachtig aanpakken van georganiseerde criminaliteit achter hennepteelt draagt bij aan het vergroten van de lokale veiligheid.

Vraag 3

Wat gaat u ondernemen om het recherchewerk diepgravender te maken en de opsporing en vervolging niet te beperken tot het plukken van het «laaghangend fruit»?

Antwoord 3

De aanpak van de georganiseerde hennepteelt beperkt zich niet «tot het plukken van «laaghangend fruit»». Er wordt al uitdrukkelijk ingezet op het strafrechtelijk ontmantelen van organisaties, het afbreken van de onderliggende structuren die de georganiseerde misdaad faciliteren, en het afpakken van crimineel vermogen.

Zie hier.

Kamervragen sluiting coffeeshops

Vragen van het lid Van der Ham (D66) aan de minister van Veiligheid en Justitie over een inventarisatie naar de sluiting van coffeeshops door voorgenomen kabinetsbeleid (ingezonden 6 januari 2011).
Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 31 januari 2011).
Vraag 1 en 2
Wat is uw reactie op het bericht «Zes op de tien coffeeshops bij kabinetsbeleid dicht», waarin gesteld wordt dat 57,9% van de Nederlandse coffeeshops in veertien steden door het kabinetsbeleid zou moeten sluiten?1
Bent u bereid in uw drugsnota, op basis van het door u gestelde afstandscriterium tussen coffeeshops en scholen, een lijst op te nemen met daarin alle coffeeshops die te maken krijgen met sluiting? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 1 en 2
In het regeerakkoord staat vermeld dat er een afstand van tenminste 350 meter tussen scholen en coffeeshops dient te zijn, en dat de Minister van Veiligheid en Justitie erop zal toezien dat gemeenten dit afstandscriterium en de overige relevante delen van het landelijke coffeeshopbeleid handhaven. Het kabinet is zich ervan bewust dat de gevolgen van deze maatregelen voor coffeeshops aanzienlijk kunnen zijn. Dat is ook gebleken in de gemeenten die al eerder op eigen initiatief met een afstandscriterium zijn gaan werken. Het kabinet is echter van oordeel dat de beleidsdoelstellingen die met het regeerakkoord zijn beoogd deze gevolgen rechtvaardigen. Ik zie dan ook geen reden om een lijst zoals door u bedoeld op te stellen.
Vraag 3
Wat zijn uw verwachtingen omtrent de toename van de hoeveelheid straathandel, zoals die ook is toegenomen door de sluiting van coffeeshops in West-Brabant? Bent u bereid een nulmeting uit te voeren naar de effecten van het gebruik van harddrugs, de straathandel en de daarmee samenhangende overlast, zodat de consequenties van het ingezette beleid nauwkeurig kunnen worden vastgesteld?
Antwoord 3
Een vergelijking met de gemeenten in West-Brabant is niet zonder meer te maken, omdat in deze gemeenten alle coffeeshops hun deuren moesten sluiten, terwijl het afstandscriterium in het algemeen minder verstrekkende gevolgen zal hebben. De gevolgen op de straathandel zullen dan ook moeten worden afgewacht. Indien straathandel wordt aangetroffen dan zal die met de beschikbare wettelijke mogelijkheden worden aangepakt door het lokaal bestuur, Openbaar Ministerie en de politie. De straathandel is ook een punt van aandacht van de Taskforce bestrijding georganiseerde criminaliteit in Brabant, waar het aangescherpte coffeeshopbeleid van het kabinet versneld wordt invoerd. De Taskforce beziet in dat kader ook of een nulmeting gewenst is. Ik wacht dit af voordat ik besluit over een landelijke nulmeting.
Vraag 4
Welke rol spelen gemeenten in de totstandkoming van uw beleid? In hoeverre wilt u rekening houden met lokale situaties en lokaal maatwerk accepteren, zeker in steden waar in goed overleg al tot afspraken met coffeeshops is gekomen, en waar de AHOJ-G2 criteria goed worden nagekomen, ook wat betreft jongeren?
Antwoord 4
Binnen de kaders van het regeerakkoord wordt overleg gevoerd met verschillende gemeenten, bijvoorbeeld in het kader van de Taskforce Brabant.
Zie hier.

Kamervragen: drugshandel in Brabant

Vragen van het lid Van der Ham (D66) aan de ministers van Justitie, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Volksgezondheid, Welzijn en Sport over verschuivende problemen drugshandel in Brabant (ingezonden 10 augustus 2010).
Antwoord van minister Hirsch Ballin (Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), mede namens de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (ontvangen 9 september 2010) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2009–2010, nr. 3200.
Vraag 1
Wat is uw reactie op de uitkomsten van de commissie-Franzel die onderzoek deed naar het drugsbeleid van een aantal Midden en West-Brabantse steden, en de conclusies die de lokale overheden hieruit trekken?1
Antwoord 1
Het rapport van de commissie-Fränzel bevat aanbevelingen over een aantal thema’s, zoals preventie en hulpverlening, de omgang met drugs in de regio en de bestrijding van overlast en (georganiseerde) criminaliteit. De reacties van de lokale overheden op het rapport van de commissie waren overwegend positief en de meeste aanbevelingen zullen worden overgenomen. Het advies van de commissie om kleinere coffeeshops regionaal in te voeren is echter vooralsnog niet overgenomen door het Regionaal College van burgemeesters.
Bij een van de aanbevelingen aangaande de verkoopleeftijd van alcohol moet de kanttekening worden gemaakt dat de leeftijdsgrens voor de verkoop van zwak-alcoholhoudende dranken landelijk is vastgesteld op 16 jaar. Van deze leeftijdsgrens kan alleen worden afgeweken door gemeenten als in de Drank- en Horecawet een artikel wordt opgenomen dat daartoe de mogelijkheid biedt. Een wetsvoorstel tot wijziging van deze wet is aanhangig bij de Tweede Kamer. Nadere besluitvorming naar aanleiding van het rapport van de commissie-Van de Donk wacht op het aantreden van een nieuw kabinet.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u de verschuivingen van drugsgerelateerde problemen van Bergen op Zoom en Roosendaal, die een apart regime hebben, naar andere gemeenten in het gebied?
Antwoord 2
Het rapport van de commissie-Fränzel concludeert dat, totdat beide gemeenten hun eigen markt weer gaan bedienen, een deel van het probleem naar andere steden in de regio verschuift. De commissie merkt op dat dit voor de betreffende steden een onwenselijke situatie is die zeker op den duur niet houdbaar is. Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 3.
Vraag 3
Hoe ontwikkelt zich het soort druggebruik in deze regio? Wat is de relatie tussen het gevoerde softdrugsbeleid door de twee genoemde gemeenten, de verschuiving naar het illegale circuit en de beschikbaarheid voor met name jongeren en jongvolwassenen om overige drugs te gebruiken?
Antwoord 3
Na de sluiting van de coffeeshops in Bergen op Zoom en Roosendaal is door de stuurgroep Courage (een samenwerkingsverband tussen de beide steden en de diverse partners op het gebied van de bestrijding van drugsoverlast) besloten om over een periode van één jaar te analyseren wat de gevolgen hiervan zijn. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een onafhankelijk onderzoeksconsortium, bestaande uit Beke Advies, COT en Lokale Zaken. Eind 2010 zal het eindrapport verschijnen. Daarin zullen naar verwachting ook de door u gestelde vragen worden beantwoord. Het kabinet draagt aan dit onderzoek bij via de pilot verminderen overlast door coffeeshops (zie hierover de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 12 juli 2010 over het drugsbeleid, Kamerstukken II, vergaderjaar 2009–2010, 24 077, nr. 253).

Zie hier.