Wegpesten homoseksueel stel leidt tot vragen in Tweede Kamer

Vragen van het lid Van Klaveren (PVV) aan de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Veiligheid en Justitie over de onophoudelijke straatterreur tegen homostellen (ingezonden 5 oktober 2011).

Antwoord van minister Donner (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), mede namens de ministers van Veiligheid en Justitie en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (ontvangen 28 oktober 2011).

Vraag 1

Kent u het artikel «Opnieuw homostel verhuisd na pesterijen»?1
Antwoord 1

Ja.
Vraag 2

Deelt u de visie dat de bestrijding van straatterreur topprioriteit zou moeten zijn van de politie? Zo neen, waarom niet?
Antwoord 2

Het kabinet zet in op het terugdringen van grensoverschrijdend gedrag van risicojongeren, individueel en in bendes, ongeacht afkomst. De aanpak van problematische jeugdgroepen is een prioriteit uit het regeerakkoord en één van de landelijke prioriteiten van de politie en het Openbaar Ministerie. De aanpak van overlast op straat is overigens in eerste instantie een lokale aangelegenheid waarbij de gemeente de regie heeft. De Minister van Veiligheid en Justitie heeft met de VNG in het Strategisch Beraad Veiligheid afgesproken dat de aanpak van jeugdoverlast en jeugdcriminaliteit een gezamenlijke prioriteit is, die met inbreng van gemeenten en Rijk resulteert in een gerichte aanpak van specifieke overlastgevende en/of criminele groepen.
Vraag 3

In hoeverre bent u van mening dat niet de homostellen na aanhoudende terreur de wijk uit moeten vluchten maar dat de betreffende daders, en bij minderjarigheid ook het hele gezin, de wijk uit moeten worden gezet?
Antwoord 3

Het kabinet vindt het onacceptabel dat mensen worden weggepest en zich genoodzaakt voelen te verhuizen. Alle inspanningen moeten erop gericht zijn om de daders van dergelijke pesterijen stevig aan te pakken. Er zijn verschillende maatregelen beschikbaar, variërend van bestuurlijke maatregelen op het terrein van de handhaving openbare orde en veiligheid tot justitiële maatregelen en maatregelen op het zorgterrein.
Met betrekking tot het uit de wijk zetten van daders is het voor een woningcorporatie mogelijk om via de rechter het huurcontract te ontbinden als een huurder (of een lid van het gezin van een huurder) voor ernstige overlast zorgt. Dit is echter geen gemakkelijke weg. Gemeenten kunnen hierin een regierol vervullen, en met de overlastgevers en de corporaties tot afspraken komen. Als huurders zich niet aan deze afspraken houden kan uiteindelijk tot uitzetting worden overgegaan.
Vraag 4

Deelt u de mening dat u de mogelijkheid moet hebben een falende burgemeester, als eindverantwoordelijke voor de gemeentelijke veiligheid, ter verantwoording te roepen en hem desnoods moet kunnen ontslaan? Zo neen, waarom niet?
Antwoord 4

De burgemeester is als gemeentelijk bestuursorgaan over al zijn functioneren aan de raad verantwoording verschuldigd. Het is dan ook aan de raad om hem ter verantwoording te roepen. In het verlengde daarvan is het in ons bestuurlijk bestel primair aan de raad om het functioneren van de burgemeester eventueel te sanctioneren. De regering dient zich daarin terughoudend op te stellen.
Vraag 5

Welke concrete maatregelen bent u van plan te nemen om het structurele probleem van de straatterreur tegen homo’s zo spoedig mogelijk op te lossen?
Antwoord 5

Wanneer mensen (mede) vanwege hun seksuele oriëntatie worden lastiggevallen, dan maken de overlastgevers zich mogelijk schuldig aan strafbare discriminatoire gedragingen. Het is van belang dat mensen discriminatie melden bij de lokale antidiscriminatievoorzieningen die hen kunnen helpen met hun klacht. In lijn met hetgeen wij hebben aangekondigd in de discriminatiebrief (Kamerstukken II, vergaderjaar 2010–2011, 30 950, nr. 34, is het van belang hiervoor belangenorganisaties, scholen en andere maatschappelijke instanties beter in positie te brengen om dit vroegtijdig te onderkennen.
Anoniem een melding maken kan ook via Stichting M. (Meld Misdaad Anoniem). Als er sprake is van strafbare discriminatoire gedragingen, dan wordt een zaak gevolgd in het Regionaal Discriminatieoverleg tussen Openbaar Ministerie, de politie en antidiscriminatievoorzieningen. Als bij een vervolging aangetoond kan worden dat een discriminatoir aspect een rol heeft gespeeld bij het plegen van het feit, eist het OM een strafverhoging van 50%. Bij ingrijpende feiten wordt een strafverhoging van 100% geëist. Van ingrijpende feiten is onder meer sprake als de lichamelijke integriteit in aanzienlijke mate is aangetast, of als er sprake is van een evidente inbreuk op de persoonlijke integriteit (bijvoorbeeld door discriminatie).
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft verder op 6 juni en 5 oktober jl. een verklaring getekend met 40 grote gemeenten. Deze gemeenten zullen uiterlijk 1 februari 2012 lokale plannen indienen voor de periode 2012–2014, die maatregelen bevatten ter verbetering van de veiligheid en acceptatie van lesbiënnes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders.

Zie hier.

Kamervragen over rellen hooligans Feijenoord

Vragen van de leden Marcouch en Van Dekken (beiden PvdA) aan de minister van Veiligheid en Justitie over de reactie van OM en politie op rellen door Feyenoordhooligans (ingezonden 22 september 2011).

Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 3 november 2011). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 246.

Vraag 1

Kent u het bericht «Nog één verdachte rellen de Kuip vast»?1 Hoe heeft u gereageerd op de handelswijze van het Openbare Ministerie (OM) tegen het ruziezoekend tuig dat het bestuursgebouw van Feyenoord bestormde, waardoor nog slechts één persoon in voorarrest zit?
Antwoord 1

Ja. Ik heb van een en ander kennis genomen.
Vraag 2

Klopt het dat twee verdachten heengezonden zijn terwijl hun aandeel in de rellen later groter bleek te zijn? Hoeveel langer hadden zij op basis van dit grotere aandeel in voorarrest gehouden kunnen worden? Klopt het dat deze twee personen niet opnieuw in voorarrest genomen kunnen worden?
Antwoord 2

Het klopt dat twee verdachten met een dagvaarding zijn heengezonden omdat hun aandeel in de rellen in eerste instantie klein leek. Als op dat moment bekend was geweest dat deze verdachten zich schuldig hadden gemaakt aan openlijke geweldpleging, hadden zij in verzekering kunnen worden gesteld en worden voorgeleid aan de rechter-commissaris. Op 22 september jongsleden zijn beide verdachten alsnog ter zake van de verdenking van openlijke geweld in voorlopige hechtenis genomen. De hechtenis van een van deze verdachten is diezelfde dag door de rechter-commissaris geschorst. Ten aanzien van de andere verdachte is de bewaring gelast.
Vraag 3

Hoe kan het dat, met zoveel politie in de buurt en andere bewijsmiddelen voorhanden, het aandeel van deze twee daders te laat duidelijk werd? Hoe gaat u voorkomen dat door dergelijke blunders opnieuw gewelddadige hooligans te snel vrijkomen?
Vraag 3

Hoe kan het dat, met zoveel politie in de buurt en andere bewijsmiddelen voorhanden, het aandeel van deze twee daders te laat duidelijk werd? Hoe gaat u voorkomen dat door dergelijke blunders opnieuw gewelddadige hooligans te snel vrijkomen?
Antwoord 4

Het Openbaar Ministerie zet fors in op de opsporing en vervolging van deze verdachten. Zo zijn er foto’s van verdachten op billboards gepubliceerd in het centrum van Rotterdam, waarmee de hulp van het publiek wordt ingeroepen.
Aangezien het strafrechtelijk onderzoek naar de verdachten nog in volle gang is, kan ik op dit moment geen verdere mededelingen doen.
Vraag 5

Ziet u meerwaarde in een levenslang stadionverbod voor hooligans die rond voetbalwedstrijden zo gericht geweld gebruiken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op wat voor termijn wilt u hiervoor de Voetbalwet aanpassen?
Antwoord 5

Na de zomer van 2012 wordt de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast geëvalueerd. Ik wil deze evaluatie afwachten voordat ik uitspraken doe over mogelijke aanpassingen aan deze wet.

Zie hier.

Vragen van het lid Berndsen (D66) aan de minister van Veiligheid en Justitie over rellen veroorzaakt door voetbalsupporters in Rotterdam (ingezonden 20 september 2011).

Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 3 november 2011). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 24.

Vraag 1

Wat is uw reactie op de schrikbarende situatie in Rotterdam dit weekeinde, waarbij rellende voetbalsupporters zo ver over de schreef zijn gegaan dat de politie het vuurwapen moest trekken?1
Antwoord 1

Ik betreur deze rellen ten zeerste.
Vraag 2

Bent u van mening dat in het algemeen het lokale gezag voldoende middelen in handen heeft om dit soort ongeregeldheden adequaat te bestrijden?
Zo ja, welke middelen beschouwt u hiervoor als voldoende adequaat?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2

Ja. De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) kan de burgemeester diverse middelen in handen geven om overlast en ordeverstoringen tegen te gaan. Daarnaast beschikt de burgemeester op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet, over een bevoegdheid om een gebieds- en/ of samenscholingsverbod te geven. Tot slot beschikt de burgemeester over noodrechtbevoegdheden. In geval van (acute) ernstige openbare ordeverstoringen kan de burgemeester alle bevelen geven dan wel verordeningen vaststellen die hij nodig acht om de openbare orde te handhaven.
Vraag 3, 4

Is in dit geval de Voetbalwet ingezet om de genoemde rellen in Rotterdam te bestrijden? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Biedt de Voetbalwet volgens u voldoende handvatten om ongeregeldheden zoals deze adequaat te bestrijden? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3, 4

De Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast is in dit geval niet ingezet. De Wet is bedoeld voor de aanpak van personen, die individueel of in groepsverband in het verleden herhaaldelijk de openbare orde hebben verstoord of bij die groepsgewijze ordeverstoringen een leidende rol hebben gehad en jegens wie ernstige vrees voor verdere ordeverstoring bestaat. Uit een dossier moet het plegen van herhaaldelijke overlast blijken. Het ging in de onderhavige casus echter om «first offenders», niet om notoire overlastplegers.

Zie hier.

Kamervragen over handel in Qat

Vragen van het lid Çörüz (CDA) aan de minister van Veiligheid en Justitie over qathandel in Uithoorn (ingezonden 9 augustus 2011).

Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 26 september 2011) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 3422.

Vraag 1

Wilt u de brief van het gemeentebestuur Uithoorn van 9 februari 2011 binnen een week beantwoorden?

Antwoord 1

Het beantwoorden van de bedoelde brief duurde langer dan voorzien omdat de gedachtevorming binnen het kabinet over de aanpak van qat tegelijkertijd in volle gang was. Inmiddels is de brief beantwoord.
Vraag 2

Is het waar dat voertuigen bij de qatkopers- en handelaren in Uithoorn niet middels een zogenaamd stopteken in het kader van de Wegenverkeerswet gecontroleerd kunnen worden, omdat dit alleen de Somalische bevolking betreft en deze maatregel discriminatoir zou zijn?
Antwoord 2

Het is mij niet bekend waar de indruk dat er een probleem zou zijn met de handhaving van de Wegenverkeerswet vandaan komt. In algemene zin is het zo dat het discriminatoir en dus niet toelaatbaar zou zijn als de politie auto’s een stopteken zou geven enkel en alleen omdat (wordt vermoed dat) de inzittenden Somaliërs zijn. Als de politie auto’s een stopteken geeft om andere, niet-discriminerende redenen die bijvoorbeeld verband houden met de verkeersveiligheid dan bestaat daartegen geen beletsel , ook niet als een bepaalde controle toevallig relatief veel Somaliërs treft doordat zij in de omgeving van de controle een bijeenkomst hebben.
Vraag 3

Deelt u de mening dat een vergelijking van de aanpak van overlast van qat middels een Algemene Plaatselijke Verordening (APV) zoals in Tilburg niet opgaat1, daar het gaat om qatgebruik in qathuizen, dit in tegenstelling tot de situatie in Uithoorn waar het gaat om (internationale) qathandel? Welke instrumenten heeft de gemeente Uithoon daadwerkelijk om de verloedering aan te pakken?
Antwoord 3

Ik betwijfel niet dat er op onderdelen verschillen zijn tussen Tilburg en Uithoorn wat betreft de aard van de qatgerelateerde problemen en wat betreft de oplossingen die passen bij de lokale situatie. Voor zover mij bekend is het echter zo dat in beide gemeenten de problemen en verloedering direct samenhangen met het grote aantal mensen dat op de verdeelpunten afkomt en zich daar ophoudt. Het gaat dan om zaken als verkeers- en geluidsoverlast, vervuiling, en een algemeen gevoel van onbehagen en onveiligheid bij omwonenden. Dit zijn zaken die verband houden met de openbare orde. De APV biedt de burgemeester doorgaans vrij ruime mogelijkheden om hier grenzen te stellen en die te handhaven. Voor zover ik heb kunnen nagaan hebben beide gemeenten in hun APV al artikelen die specifiek gericht zijn op overlastgevende straathandel in en het gebruik op straat van opiaten of daarop gelijkende waar. Overtreding van APV-voorschriften is strafbaar gesteld met een maximum van drie maanden hechtenis. Handhaving van de APV-voorschriften is een zaak van het lokale gezag. Dit geldt eveneens voor de toepassing van de in de Gemeentewet neergelegde bevoegdheden op het gebied van openbare orde. De omstandigheid dat in Uithoorn sprake is van internationale qathandel leidt op zichzelf niet tot andere of aanvullende handhavingsmogelijkheden, aangezien deze handelsactiviteiten naar Nederlands recht niet strafbaar zijn.
Tot slot wijs ik u erop dat ook de Expertcommissie Lijstensystematiek Opiumwet in haar advies aandacht heeft voor de problematiek rondom qat. Het kabinet zal binnenkort in haar reactie op dit advies ingaan.
Vraag 4, 5

Wanneer denkt u het onderzoek naar buitenlandse diensten te hebben afgerond? Wanneer mag de Kamer de resultaten van het onderzoek naar de betrokkenheid van deze diensten ontvangen?
Mocht er sprake zijn van betrokkenheid van (ongeoorloofde) werkzaamheden van buitenlandse diensten, wat heeft u ondernomen om die werkzaamheden te beëindigen?
Antwoord 4, 5

Ik heb in antwoord op vraag 4 van uw voorgaande vragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 2988) willen bevestigen noch ontkennen dat buitenlandse veiligheidsdiensten in Nederland actief zijn met onderzoeken naar qathandel. Het werk van de veiligheidsdiensten vereist uiteraard een grote mate van discretie, ook met betrekking tot de vraag of er onderzoek plaatsvindt.

Zie hier.

Kamerleden bevragen minister over overlast jeugdbendes in Helmond

Vragen van de leden Marcouch en Van Dam (beiden PvdA) aan de ministers van Veiligheid en Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over terreur van Marokkaanse jongeren in Helmond. (Ingezonden augustus 2011).

Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie), mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (ontvangen 22 september 2011) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 3497.

Vraag 1

Kent u het bericht «Kut-Hollander roepen pik ik niet»?1
Antwoord 1

Ja.
Vraag 2, 6 en 8

Bent u op de hoogte van de situatie in de wijk Binnenstad Oost in Helmond? Zo ja, is er inderdaad sprake van de in het bericht genoemde incidenten, dreigementen, intimidaties en beledigingen? Hoe lang duurt deze situatie al en wat is uw mening daarover? Zo nee, wilt u zich dan op de hoogte stellen van die situatie en de Kamer daarover berichten?
Deelt u de mening dat het optreden van het werk van burgemeester en van wethouders en de politie richting bewoners en overlastgevers de afgelopen jaren tekort geschoten is en dat zij de controle over de situatie kwijt zijn? Zo ja, wat gaat u doen om de situatie in de wijk Binnenstad Oost in Helmond (te doen) verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Kunt u een overzicht geven van de instanties die zich inmiddels met de problemen in deze wijk bezighouden, hun concrete acties en de resultaten daarvan? Acht u deze inspanningen voldoende? Zo ja, waarom verbetert de situatie in de wijk dan niet? Zo nee, welke extra inspanningen zijn dan nog nodig en hoe gaat u bewerkstellingen dat die worden uitgevoerd?

Antwoord 2, 6 en 8

De politie en de gemeente hebben ons geïnformeerd over de situatie in de wijk Binnenstad Oost te Helmond. Er is sprake van een overlastsituatie die aangepakt moet worden. Er is geen sprake van een onbeheersbare situatie zoals deze wordt voorgesteld in genoemd artikel. Enkele meldingen van overlast en incidenten hebben in juni van dit jaar geleid tot een intensieve integrale aanpak onder regie van het gemeentebestuur en in samenspraak met de driehoek. In het kader van deze aanpak worden de volgende acties ondernomen:
– Intensivering toezicht en handhaving door politie en toezichthouders;
– Strafrechtelijke aanpak daders (voor de in het artikel genoemde aangiften ter zake bedreiging, mishandeling en brandstichting zijn de verdachten aangehouden en is het dossier overgedragen aan het openbaar ministerie);
– Bewonersavonden, intensivering aanwezigheid politie en toezichthouders;
– Instellen overlasttelefoonnummer (vanaf 15 juni jongstleden) met de mogelijkheid tot anoniem melden voor wijkbewoners (naast de mogelijkheid om te melden via de reguliere kanalen);
– Individuele trajecten met overlastgevende jeugdigen en hun sociale omgeving (ouders, school, werk, etc);
– Aanwezigheid jeugd / jongerenwerkers alsmede moslimorganisaties in de wijk om contact te leggen en houden met jongeren.
Bij de integrale aanpak zijn betrokken:
– Gemeente (jeugd, integrale veiligheid, handhaving, juridische zaken);
– Politie;
– Stadswacht (toezichthouders gemeente);
– Jeugd en jongerenwerk (o.m. jeugdpreventie team);
– Welzijnsinstanties;
– Woningbouwcorporaties.
Op 1 mei jongstleden zijn 5 verdachten aangehouden. Op 20 augustus jongstleden is een gebiedsverbod opgelegd aan een 21-jarige inwoner van Helmond. Deze persoon pleegde herhaaldelijk overlast en speelde een leidende rol in de overlast die door een groep werd veroorzaakt. Het gebiedsverbod geldt voor de Binnenstad Oost en een gedeelte van Oud-West voor een periode van 3 maanden.
Verder is van belang dat vanuit de ministeries van Veiligheid en Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties expertise ter ondersteuning van de lokale aanpak wordt ingezet.
In de wijk is al sedert tien jaar een traject van verbetering in de wijk aan de gang, de stedebouwkundige vernieuwing heeft aansprekende resultaten opgeleverd en ook de recente veiligheidscijfers laten zien dat het op dat vlak steeds beter gaat. De inspanningen blijken hun vruchten af te werpen. Zie daaromtrent verder het antwoord op vraag 9.

Vraag 3

Hoe groot is de groep die zich bezighoudt met het terroriseren van de wijk? Hoe is de samenstelling van die groep (leeftijd, geslacht of afkomst)?

Antwoord 3

Er is geen sprake van een duidelijke groep. De overlastgevende jongeren komen in wisselende samenstellingen bij elkaar in kleine groepjes. Het totale aantal hangjongeren betreft ongeveer 50 jongens/mannen van voornamelijk allochtone (Marokkaanse) afkomst. Er zijn enkele autochtone jongeren bij betrokken. Zij zijn allen woonachting in Helmond en variëren in leeftijd tussen de 12 en 26 jaar.
Vraag 4

Deelt u de mening dat ouders als opvoeder ook een rol hebben bij het tegengaan van criminaliteit van hun kinderen? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat ouders betrokken worden bij het tegengaan van wandaden van hun kinderen? Wat is de stand van uitvoering van de motie-Marcouch c.s. over een sociaal verhoor»2? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 4

Ouders moeten zich bewust zijn van hun bijzondere verantwoordelijkheid voor de opvoeding van een minderjarige en mogelijke scheefgroei daarin. Het snel betrekken van ouders bij het strafrechtelijke traject van hun minderjarige kind vinden wij belangrijk en wordt door ons en de verschillende partners in de uitvoering actief bevorderd. De politie, de Raad voor de kinderbescherming, de jeugdreclassering en de justitiële jeugdinrichtingen leggen contact met de ouders van minderjarige delinquenten. Deze instanties hebben een belangrijke taak in het detecteren van achterliggende gezinsproblematiek en de toeleiding tot de benodigde hulpverlening of opvoedingsondersteuning, of -in ernstige gevallen- ondertoezichtstelling. In de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie van 1 maart 2011 (Kamerstukken II, 2010/11, 32 500 VI, nr. 84) is uitvoerig belicht hoe op deze wijze uitvoering wordt gegeven aan het gesprek met de ouders (sociaal verhoor) dat de motie-Marcouch beoogt. Sinds 1 januari 2011 zijn de ouders verplicht om aanwezig te zijn bij de terechtzitting van hun minderjarige kind. Deze zogenaamde verschijningsplicht beoogt eveneens de betrokkenheid van ouders bij de opvoeding te vergroten en daardoor de recidive bij de jeugdige delinquent te verminderen.

Vraag 5

Behoort deze groep tot de criminele jeugdbendes waarvan u onlangs hebt beloofd ze van de straat te halen? Zo ja, hoe gaat u dat doen en wanneer? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 5

Er is (conform toepassing van de Beke-methode) geen sprake van een criminele jeugdbende of groep. Er is hier sprake van overlastgevende jongeren.

Vraag 7

Deelt u de mening dat het formeren van een knokploeg ongewenst is maar dat het ook een begrijpelijke uiting kan zijn van machteloze woede van terroriseerde bewoners? Zo ja, wat gaat u doen om verdere escalatie van beide kanten te voorkomen, de orde op straat te herstellen en overlastgevers op te pakken? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 7

Op dit moment is er, voor zover bij gemeente en politie bekend, geen sprake van een geformeerde knokploeg of concrete plannen bij wijkbewoners om die te formeren. Bewoners van de wijk zijn vanzelfsprekend – net als de betrokken instanties – wel bezorgd om de veiligheid en leefbaarheid van hun wijk. Om die reden maakt het betrekken en informeren van bewoners ook deel uit van de integrale aanpak.
Vraag 9

Hoe vaak is er het afgelopen jaar aangifte gedaan in verband met bedreigingen, belediging, vernieling of andere misdrijven in de wijk Binnenstad Oost?

Antwoord 9

periode 1 januari tot 1 mei 2011 1 mei 2011 tot heden
bedreiging 4 bedreiging 1
vernieling 10 vernieling 2
mishandeling 2 mishandeling 1
belediging 1 belediging 1
brandstichting 1

Uit bovenstaande cijfers van de regiopolitie blijkt dat het aantal incidenten in de maanden mei, juni, juli en de eerste week van augustus 2011 beduidend lager is dan in de eerste 4 maanden van 2011 (voor intensivering aanpak).

Overlastmeldingen:

1 januari t/m 10 augustus 2010 1 januari t/m 10 augustus 2011
41 meldingen 29 meldingen

Uit bovenstaande cijfers blijkt dat het aantal overlastmeldingen in vergelijkbare periodes in 2010 en 2011 een daling van ruim 25% in 2011 geeft.

Vraag 10

Kunt u zich voorstellen dat bewoners gezien de situatie in de wijk en de sfeer van intimidatie en bedreiging, geen aangifte meer durven te doen? Zo ja, wat gaat u doen om de aangiftebereidheid te verhogen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 10

De bewoners van de wijk Binnenstad Oost zullen altijd aangifte moeten kunnen doen. Door de gemeente is naast het algemene overlasttelefoonnummer van de gemeente aan de buurtbewoners een telefoonnummer bekend gemaakt waarop de buurtbewoners (eventueel anoniem) overlastsituaties kunnen melden waarop de toezichthouders van de gemeente Helmond inzet plegen. Hier is overigens tot op heden geen enkele melding gedaan. Door de politie is op bewonersavonden en in individuele contacten gewezen op de mogelijkheid van 0900–8844 en Meld Misdaad Anoniem. Ook zal er door politie gewezen worden op de mogelijkheid voor aangevers en getuigen om voor de aangifte elders domicilie te kiezen.

Vraag 11

Is het waar dat zeventig procent van de bewoners uit de wijk zouden vertrekken als ze de kans zouden krijgen? Is de waarde van koophuizen in de wijk inderdaad sterk gedaald? Zo ja, wat is uw mening hierover?

Antwoord 11

Er zijn geen objectieve gegevens voorhanden om dit soort uitspraken te staven. De algehele trend van dalende prijzen op de woningmarkt geldt ook voor het betreffende gebied. Het verloop in deze wijk is niet significant anders dan in de overige vergelijkbare wijken in Helmond.

Vraag 12

Is het waar dat camerabeelden niet live worden gevolgd? Zo ja, deelt u dan de mening dat dit wel moet gebeuren?

Antwoord 12

Momenteel worden de camerabeelden niet live uitgekeken. Gezien de huidige frequentie en spreiding van overlastmeldingen en incidenten (11 in totaal sinds 1 mei jl.) is dit niet opportuun.
De beelden kunnen achteraf bekeken worden indien zich incidenten en overlastmeldingen voordoen. Indien er in de (nabije) toekomst aanleiding voor is, zullen de beelden live worden bekeken.

Vraag 13

Is het waar dat er een samenscholingsverbod in de wijk van kracht is maar dat dat door de politie niet wordt gehandhaafd? Zo ja, wat is uw mening hierover? Zo nee, wat is er dan niet waar?

Antwoord 13

Er is geen samenscholingsverbod van kracht in de wijk.

Zie hier.

Karatelessen voor overlastjeugd Gouda leiden tot Kamervragen CDA

Vragen van het lid Çörüz (CDA) aan de ministers van Veiligheid en Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over karatelessen voor Marokkaanse probleemjongeren in Gouda (ingezonden 5 augustus 2011).

Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie), mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (ontvangen 21 september 2011) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 3447.

Vraag 1

Heeft u kennisgenomen van de artikelen over Marokkaanse probleemjongeren die karatelessen krijgen welke gesubsidieerd worden door de gemeente Gouda?1

Antwoord 1

Ja.
Vraag 2

Is het u bekend of dit project is aangemeld bij de Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie?
Antwoord 2

Het project is niet aangemeld bij de Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie. Bij deze Commissie worden uitsluitend gedragsinterventies ingediend die in strafrechtelijk kader kunnen worden opgelegd, bijvoorbeeld als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke sanctie. Vanwege het feit dat deze interventies in een (strafrechtelijk) dwangkader plaatsvinden, worden hoge eisen gesteld aan de (wetenschappelijke) onderbouwing van de effectiviteit van de interventie op het terugdringen van recidive.
Het gemeentelijke project in Gouda wordt niet in een strafrechtelijk kader opgelegd en valt om die reden buiten het beoordelingsgebied van de Erkenningscommissie.

Vraag 3

Worden deze karatelessen gefinancierd uit de extra gelden die zijn gecreëerd na afloop van de rellen in Gouda?

Antwoord 3

Het project wordt gefinancierd uit eenmalige specifieke middelen voor veiligheid die door het Rijk aan Gouda ter beschikking zijn gesteld. Hierbij is van belang te vermelden dat het hoofddoel van het project het investeren in deskundigheidsbevordering van de sportclubs is, zodat zij op een positieve manier bijdragen aan het maatschappelijke klimaat. Trainers/coaches bij deze verenigingen ontvangen een opleiding «docent agressieregulatie en weerbaarheid» en krijgen daarna ondersteuning bij de implementatie binnen de vereniging.

Vraag 4

Is het mogelijk dat na de motie Çörüz (Kamerstuk 30 332, nr. 13) er nog steeds projecten worden gesubsidieerd waarvan niet is gebleken dat deze bijdragen een vermindering van overlast en criminaliteit?

Antwoord 4

De motie Çörüz had betrekking op rijksprogramma’s in het kader van het strafrecht. Voor de uitvoering van de in de vraag genoemde motie, verwijs ik u naar de voortgangsrapportage Veiligheid begint bij Voorkomen, TK 28 684, nr. 119.
Gouda baseert zich bij de keuze voor dit project op een onderzoek dat het Mulier Instituut in het kader van het door het Rijk gesubsidieerde programma «Meedoen alle jeugd door sport» heeft gedaan. Het onderzoek laat zien dat vechtsportdeelname een bijdrage kan leveren aan persoonlijke groei en het verminderen van probleemgedrag door onder meer disciplinering en agressieregulatie. De resultaten van dit onderzoek, gebaseerd op meerjarige praktijkervaring in meerdere gemeenten, geven de gemeente aanleiding om te verwachten dat de aangeboden activiteiten een bijdrage zullen leveren aan een positieve maatschappelijke betrokkenheid van de deelnemende jongeren.
Aanvullend daarop kan ik u melden dat het huidige kabinet geen nieuwe middelen heeft toegekend voor de aanpak van (Marokkaanse en Antilliaanse) risicojongeren. Specifieke problemen worden via reguliere instanties en reguliere maatregelen aangepakt. In 2011 en 2012 worden enkel nog middelen uitgekeerd die voortkomen uit eerder aangegane verplichtingen. Bestaande specifieke maatregelen gericht op de aanpak van problemen die zich in sommige groepen in versterkte mate voordoen, worden de komende periode ingebed in regulier beleid. In het verlengde daarvan worden de middelen voor de aanpak van Marokkaans- en Antilliaans-Nederlandse risicojongeren eind 2012 beëindigd. Er wordt voor doelgroepbeleid geen apart budget meer vrijgemaakt. De in de motie Cöruz gevraagde uitbreiding van het mandaat van de Erkenningscommissie gedragsinterventies (zie antwoord op vraag 2) is derhalve niet aan de orde.
Toelichting:
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van de leden Van Klaveren, Bontes en Wilders (allen PVV), ingezonden 5 augustus 2011(vraagnummer 2011Z15942)

Zie hier.