Wetsvoorstel flexibel cameratoezicht met mobiele camera’s aangekondigd

De Minister van Veiligheid en Justitie heeft op 1 december in een brief aan de Tweede Kamer over cameratoezicht en de aanpak van overlast een wetsvoorstel voor flexibel cameratoezicht aangekondigd:

Om aan de behoefte van de praktijk tegemoet te komen bereid ik een wetvoorstel voor dat tijdelijk en flexibel cameratoezicht mogelijk maakt. Dit wetsvoorstel zal in het voorjaar van 2012 in consultatie gaan. In de Gemeentewet zal worden geregeld dat de gemeenteraad in een verordening kan vastleggen dat de burgemeester ter handhaving van de openbare orde een gebied kan aanwijzen waarin mobiele camera’s worden geplaatst. Binnen dit aangewezen gebied kunnen camera’s eenvoudig worden verplaatst zonder dat een procedure moet worden doorlopen voor het plaatsen of weghalen van camera’s. Indien de overlast zich verplaatst in het gebied naar een ander plein of andere hoek van de straat, kan een camera met de overlast mee worden verplaatst. De aanwijzing van het gebied zal aan een bepaalde duur zijn verbonden, bijvoorbeeld maximaal drie maanden met een mogelijkheid van verlenging met drie maanden. Deze flexibele camera’s kunnen dus langer dan de mobiele camera’s van de politie worden geplaatst en kunnen gemakkelijker worden verplaatst en weggehaald dan de camera’s op grond van artikel 151c van de Gemeentewet.

Over de aanpak van vuilstorten, graffiti en andere APV-overtredingen meldt de Minister:

Onder leefbaarheidsovertredingen worden relatief kleine ergernissen verstaan die de onveiligheidsbeleving van bewoners sterk beïnvloeden, zoals het illegaal storten van vuilnis en graffiti. Het zijn overtredingen die zorgen voor verslonzing en verloedering van wijken. Deze overtredingen moeten worden aangepakt. Dat kan ook met behulp van cameratoezicht. Leefbaarheidsovertredingen vallen onder de definitie van openbare orde. Artikel 151c van de Gemeentewet bepaalt dat: ‘De raad bij verordening de burgemeester de bevoegdheid kan verlenen om, indien dat in het belang van de openbare orde noodzakelijk is, te besluiten tot plaatsing van vaste camera’s (…)’

Het zijn veelal overtredingen van bepalingen uit de Algemene Plaatselijke Verordening (verder: APV). Dergelijke overtredingen zijn, voor zover’strafbaar gesteld in de APV zelf, strafbare feiten en vallen onder de handhaving van de openbare orde. Cameratoezicht kan dus wel degelijk worden ingezet om leefbaarheidsovertredingen te voorkomen en te handhaven.

Zie hier.

Tevergeefs beroep tegen besluit cameratoezicht 151c Gemeentewet

De burgemeester van Almere besluit op basis van een verordening tot cameratoezicht. De gemeenteraad had dit mogelijk gemaakt door de burgemeester conform art. 151c Gemeentewet deze bevoegdheid te verlenen. Eiser maakt tevergeefs bezwaar tegen het besluit van de burgemeester. Eiser zou volgens de burgemeester geen belanghebbende zijn. De rechter is het daarmee eens:

5.1 Voor wat betreft eisers verwijzing naar de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken 2004/2005, 29440, nr.6, p.18) is de rechtbank van oordeel dat hieruit niet volgt dat iedere regelmatige bezoeker van een gebied ten aanzien waarvan besloten wordt tot plaatsing van toezichtcamera’s belanghebbende is bij het plaatsingsbesluit. Het gestelde in de Nota is een antwoord op de vraag of er voor eigenaren van panden rechtsbescherming bestaat. De minister maakt vervolgens duidelijk, dat het gaat om een besluit van algemene strekking, waartegen voor belanghebbenden bezwaar en beroep openstaat. Omdat niet is uitgesloten dat soms toevalligerwijs beelden worden gemaakt van degenen die het huis binnengaan of verlaten kunnen de eigenaren van dergelijke panden worden aangemerkt als belanghebbenden, evenals bijvoorbeeld degenen die in zo’n pand werken of wonen of anderszins regelmatige bezoekers van zo’n pand zijn. De slotalinea begrijpt de rechtbank aldus, dat -anders dan bij het besluit tot aanwijzing van een veiligheidsrisicogebied- een besluit tot plaatsing van toezichtcamera’s rechtstreeks de belangen raakt van bijvoorbeeld degenen die de desbetreffende openbare plaats regelmatig bezoeken omdat er geen nadere besluitvorming nodig is. De minister heeft hier niet het belanghebbendebegrip willen uitbreiden, maar wijst op het ontbreken van rechtsgevolg en daarmee niet appellabel zijn van een aanwijzingsbesluit ex artikel 151b van de Gemeentewet.
De rechtbank blijft bij de vaste jurisprudentie inzake de belanghebbendencriteria: Wil men als belanghebbende kunnen worden aangemerkt, dan moet het bij het besluit betrokken belang iets zijn waardoor men zich onderscheidt van willekeurige anderen. De Nota noemt in dit verband de eigenaren van panden gelegen in het gebied waar de camera’s worden geplaatst en degenen die in zo’n pand wonen of werken of anderszins regelmatige bezoekers van zo’ n pand zijn. In de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2005, LJN AS9248 wordt nog toegevoegd zij, die genoopt zijn duurzaam op gezette tijden te verblijven.

5.2 Nu gesteld noch gebleken is dat eiser woont of werkt of anderszins duurzaam dient te verblijven in het gebied waar het plaatsingsbesluit op ziet, is eiser geen belanghebbende bij het besluit van 30 maart 2010. Dat eiser regelmatig het betreffende gebied bezoekt of doorloopt maakt hem niet tot belanghebbende, nu hij zich daarmee niet onderscheidt van willekeurige andere bewoners van de wijk Almere-Buiten.

Zie LJN: BR6248.

Cameratoezicht signaleert te ruime openingstijden: burgemeester sluit café

De burgemeester van Eindhoven sluit een café op grond van de APV en art. 174 Gemeentewet. De burgemeester stelt dat de exploitant te ruime openingstijden heeft gehanteerd. Hij baseert deze uitkomst op basis van onder meer beelden die door cameratoezicht zijn opgenomen:

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat op basis van documenten van de politie en een proces-verbaal over bekeken camerabeelden, geconcludeerd kan worden dat [horecagelegenheid] op 22 en 29 mei 2011 en 2, 3, en 4 juni 2011 voor publiek geopend was of dat publiek is toegelaten op een tijd waarop dit niet mocht. Het cameratoezicht wordt gehouden op een openbare plaats en in het belang van de openbare orde. Dit heeft een juridische basis in artikel 151c van de Gemeentewet in samenhang met artikel 2.10.1 van de APV in samenhang met het aanwijzingsbesluit van verweerder voor het betreffende gebied van 15 maart 2011. Door de overschrijding van het sluitingsuur brengt verzoekster de openbare orde en veiligheid in gevaar. Bij cumulatie van overtredingen is het beleid van verweerder om de afzonderlijke stappen per overtreding niet te volgen en om direct tot een bestuurlijke maatregel over te gaan. Gelet op de aard, omvang en ernst van de overtredingen heeft verweerder de sluitingsduur op drie maanden bepaald. Tijdelijk sluiting van deze omvang is volgens verweerder passend en geboden om rust te geven en verzoekster er toe te zetten deugdelijke maatregelen te nemen. Bij het vaststellen van het beleid is al rekening gehouden met de financiële belangen van ondernemers. Van de zijde van verzoekster zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd. Zoals uit het voornemen blijkt heeft verweerder hoofdstuk 17 van het Horecastappenplan 2010 toegepast, zodat de stappen zoals bepaald in hoofdstuk 12 niet aan de orde zijn.

De café-exploitant zegt onder meer dat de burgemeester het bewijs afkomstig van cameratoezicht niet mag gebruiken. De rechter is het daarmee niet eens:

Het betoog van verzoekster dat het door middel van het cameratoezicht verkregen bewijs niet mag worden gebruikt omdat het cameratoezicht onrechtmatig is, faalt. Ingevolge artikel 151c van de Gemeentewet kan de raad bij verordening de burgemeester de bevoegdheid verlenen om, indien dat in het belang van de handhaving van de openbare orde noodzakelijk is, te besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van toezicht op een openbare plaats als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties en andere bij verordening aan te wijzen plaatsen die voor een ieder toegankelijk zijn. Bij besluit van 15 maart 2010 heeft verweerder besloten ingevolge artikel 2.10.1. van de APV en artikel 151c van de Gemeentewet het gebied [gebied] aan te wijzen als gebied waar voor de periode 16 maart 2011 tot en met 16 september 2011 cameratoezicht plaatsvindt. Dit besluit is op 15 maart 2011 bekendgemaakt door plaatsing in het Gemeenteblad 2011 onder nummer 15 en heeft ter inzage gelegen bij het Stadskantoor van verweerders gemeente. Dit besluit heeft inmiddels formele rechtskracht gekregen. Verweerder is dus in het kader van de handhaving van de openbare orde bevoegd ter plaatse cameratoezicht te houden. Het handhaven van dan wel het toezicht houden op de sluitingstijden van horecagelegenheden is eveneens een aspect van openbare orde. De voorzieningenrechter ziet, gelet op het feit dat het cameratoezicht een openbare plek betreft en dit cameratoezicht door middel van het plaatsen van het aanwijzingsbesluit in het Gemeenteblad voor een ieder kenbaar is gemaakt, geen aanleiding voor het oordeel dat dit cameratoezicht in strijd zou zijn met het recht op privacy zoals neergelegd in artikel 8 van het EVRM.
De voorzieningenrechter ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het cameratoezicht onrechtmatig is. Daarnaast betreft het hier geen procedure waarbij strafrechtelijke bewijsregels gelden (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2003, LJN AG1738). Verweerder heeft de beelden derhalve mogen gebruiken als bewijs voor de op 30 mei 2011, 2 juni 2011 en 6 juni 2011 geconstateerde overtredingen.

Het verzoekt tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Zie LJN: BR5900.

Cameratoezicht op openbare plaatsen geëvalueerd

De mogelijkheid tot cameratoezicht die artikel 151c Gemeentewet biedt, is geëvalueerd.Het Ministerie van Binnenlandse Zaken meldt:

‘De aanleiding voor het onderzoek is de toezegging aan de Tweede Kamer dat de wetswijziging van de Gemeentewet (art 151c), betreffende cameratoezicht op openbare plaatsen, wordt geëvalueerd en dat de kamer daarover jaarlijks zal worden geïnformeerd. Gedurende vijf jaar worden ontwikkelingen rond het cameratoezicht op openbare plaatsen gevolgd. Eerder zijn aan de Tweede Kamer de rapporten over de nulmeting, éénmeting en tweemeting aangeboden. Het voorliggende rapport betreft de driemeting. Van de 441 Nederlandse gemeenten hebben 369 gemeenten (84%) de enquête ingevuld.’

Zie hier voor het rapport.