Voetbalwet (art. 172a Gemeentewet) onrechtmatig ingezet bij aanpak overlastveroorzakende familie

De burgemeester van Brunssum legt op grond van art. 172a Gemeentewet verschillende mensen een gebiedsverbod op. Er is sprake van ernstige verstoorde persoonlijke verhoudingen tussen deze mensen en hun voormalige buurman. Zij hebben de openbare orde meerdere malen verstoord, volgens de burgemeester. De voorzieningenrechter acht onvoldoende aangetoond dat de openbare orde ernstig is verstoord en wijst het verzoek tot voorlopige voorziening toe. Lees verder

Gebiedsverbod drugsdealer is onduidelijk en daarom onrechtmatig

Een drugsdealer krijgt van de burgemeester van Amsterdam een gebiedsverbod opgelegd. Het is voor de drugsdealer echter onduidelijk wat de precieze grenzen zijn van het gebiedsverbod. Het gerechtshof acht de precieze grenzen van het gebied ook niet duidelijk en spreekt de drugsdealer vrij van overtreding van het gebiedsverbod.

Lees verder

Man ten onrechte verblijfsverbod opgelegd na het leveren van commentaar op toezichthouders

De burgemeester legt op grond van de APV aan een Amsterdammer een verblijfsverbod op dat geldt op het Leidseplein te Amsterdam. De man zou de openbare orde hebben verstoord door commentaar te leveren op toezichthouders:

3.3.  Verweerder heeft aan het bestreden besluit – kort weergegeven – ten grondslag gelegd dat hij een verblijfsverbod heeft opgelegd omdat eiser zich in het overlastgebied schuldig heeft gemaakt aan ordeverstorend gedrag. Dit standpunt heeft verweerder gebaseerd op grond van het door de dienstdoende politieambtenaar [verbalisant 1] op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van 26 februari 2011 en het daarbij gevoegde mini proces-verbaal van dezelfde datum van politieambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3]. Hieruit volgt – samengevat – dat de verbalisanten, [verbalisant 2] en [verbalisant 3], van de in de nacht van 26 februari 2011 bij de taxistandplaats van het Leidseplein dienstdoende toezichthouders hadden vernomen dat eiser hen had lastig gevallen. Dit lastig vallen bestond uit een half uur lang stilzwijgend kijken naar het werk dat zij deden en vervolgens uit het roepen naar de toezichthouders en het luid commentaar leveren op hun verrichtingen. In het mini proces-verbaal is verder vermeld dat door het gedrag van eiser het werk van de toezichthouders onnodig moeilijk werd gemaakt om hun werk op een goede manier te doen. Verweerder is van mening dat met het mini proces-verbaal voldoende vast staat dat eiser commentaar heeft geleverd op de verrichtingen van toezichthouders, waarbij verweerder het, gelet op een eerder incident op 22 januari 2011, niet aannemelijk acht dat eiser alleen maar heeft staan kijken. Verweerder is verder van mening dat het leveren van commentaar als ordeverstorend moet worden aangemerkt. Daarbij wijst verweerder erop dat in het uitgaansgebied Leidseplein een klein incident al tot een orderverstoring kan leiden.

De man zelf zegt de openbare orde niet te hebben verstoord:

3.4.  Eiser heeft – kort weergegeven – onder meer aangevoerd dat hij weliswaar op 26 februari 2011 om 04:30 uur in het overlastgebied aanwezig was, maar dat hij geen overlast heeft veroorzaakt. Hij heeft niet naar de toezichthouders geroepen. Hij begrijpt dan ook niet hoe valt vast te stellen wat voor commentaar hij heeft geleverd. Het leveren van commentaar is bovendien niet altijd ordeverstorend, maar kan ook leiden tot voorkoming van ordeverstoring. Zolang niet duidelijk is wat het commentaar behelsde, kan volgens eiser ook niet geconcludeerd worden of het ordeverstorend werkte.

De rechtbank acht onvoldoende aangetoond dat de openbare orde is verstoord:

3.4.2.  De rechtbank stelt vast dat de verbalisanten niet zelf het gedrag van eiser hebben waargenomen, maar van de toezichthouders hebben vernomen wat er is gebeurd ter plaatse. In het proces-verbaal dat van het incident is opgemaakt, staat niet beschreven wat eiser heeft geroepen en wat voor commentaar hij heeft geleverd op de toezichthouders. Evenmin zijn er camerabeelden beschikbaar, dan wel verklaringen van de toezichthouders voorhanden. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van deze feiten niet vastgesteld worden of eiser daadwerkelijk heeft geroepen naar de toezichthouders en zo ja, wat precies is geroepen en of hetgeen eiser dan heeft geroepen als ordeverstorend gedrag kan zijn gekwalificeerd. Anders dan verweerder, acht de rechtbank het enkele feit dat de toezichthouders naar aanleiding van eisers gedrag zich genoodzaakt hebben gevoeld om de politie erbij te halen, onvoldoende om aan te nemen dat eiser ordeverstorend gedrag heeft vertoond. Het proces-verbaal is op dit punt onvoldoende concreet. Ander bewijs is niet voorhanden. De rechtbank overweegt in dit kader nog dat het feit dat er kennelijk in januari 2011 een eerder incident op het Leidseplein heeft plaatsgevonden waarbij eiser betrokken was, niet, althans niet zonder meer, kan bijdragen aan het bewijs dat eiser dus op 26 februari 2011 ordeverstorend gedrag heeft vertoond.

3.4.3.  De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat het proces-verbaal van 26 februari 2011 een onvoldoende grondslag biedt voor het oordeel dat eiser ordeverstorend gedrag heeft vertoond, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de APV. Nu ook niet uit overige feiten of omstandigheden naar voren is gekomen dat eiser de orde heeft verstoord in de nacht van 26 februari 2011, komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder niet bevoegd was om het bevel als bedoeld in artikel 2.9B, eerste lid, van de APV te geven. De rechtbank zal daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand laten.

Het beroep is gegrond. De man krijgt geen schadevergoeding.

Zie LJN: BV1671.

PVV stelt vragen over verstoren Sinterklaasfeest door probleemjongeren

Vragen van het lid Van Klaveren (PVV) aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het verstoren van het Sinterklaasfeest door straattuig (ingezonden 8 december 2011). Antwoord minister Leers (Immigratie, Integratie en Asiel), mede namens de minister van Veiligheid en Justitie (ontvangen 13 januari 2012) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 1039.

Vraag 1

Bent u bekend met het artikel «Sinterklaas en Zwarte Piet bekogeld door reljeugd»?1
Antwoord 1

Ja.
Vraag 2 en 4

Deelt u de visie dat het openlijk vieren van het Sinterklaasfeest, in wijken waar veel Marokkanen wonen, de laatste jaren onder druk staat als gevolg van geweld, diefstal en het verwijderen van christelijke symboliek? Zo nee, waarom niet?
Bent u zich ervan bewust dat dit het zoveelste voorbeeld is van Marokkaans tuig dat typisch Nederlandse (kinder)feesten verstoort en dat veel Nederlanders dit spuugzat beginnen te worden? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2 en 4

Ik ben van mening dat iedere verstoring van het Sinterklaasfeest een verwerpelijke daad is. Een kinderfeest als Sinterklaas moet in een veilige en ontspannen omgeving kunnen plaatsvinden. Uit de periodieke overleggen met gemeenten komt overigens niet het beeld naar voren dat de verstoring van een Sinterklaasfeest meer dan een geïsoleerd incident is, of dat het openlijk vieren van Sinterklaas de laatste jaren onder druk staat.

Vraag 3

Welke maatregelen bent u voornemens te treffen ten einde te voorkomen dat tuig het openlijk vieren van Sinterklaas onmogelijk maakt?
Antwoord 3

Het kabinet zet stevig in op het terugdringen van grensoverschrijdend gedrag van risicojongeren, individueel en in groep. De aanpak van problematische jeugdgroepen is een prioriteit van het kabinet. De aanpak van overlast op straat is in eerste instantie een lokale aangelegenheid. Gemeenten hebben daarbij een breed scala aan maatregelen tot hun beschikking.
Vraag 5

Kunt u een overzicht geven van de plaatsen waar zich vanaf 2008 tot en met 2011 gewelddadige incidenten hebben voorgedaan bij de viering van zowel het Sinterklaasfeest als Sint Maarten? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5

Zoals vermeld in antwoord op 3 ligt de verantwoordelijkheid voor de aanpak van overlast op straat in eerste instantie bij de lokale overheden. Dergelijke incidenten, waaronder incidenten rondom het vieren van Sinterklaas en Sint Maarten, worden niet landelijk geregistreerd.

Zie hier.

Verwijderbevel / gebiedsverbod rechtmatig opgelegd aan drugsgebruiker

De burgemeester van Amsterdam legt aan een drugsgebruiker op grond van de APV een verwijderbevel (gebiedsverbod) door de duur van een maand op. De drugsgebruiker is in het centrum van Amsterdam door een agent aangetroffen met cocaïne en een basepijpje. De drugsgebruiker stelt dat hij niet met drugs rond liep. De rechtbank gaat daarin niet mee:

3.2.  Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de ordeverstorende gedraging van 4 november 2008, waar het éénmaandsverwijderingsbevel mede op gebaseerd is, door eiser in dit geding niet betwist kan worden, aangezien het 24-uurs bevel van 4 november 2008 dat gebaseerd is op hetzelfde feit, formele rechtskracht bezit. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Hoewel het om hetzelfde feit gaat, brengt dat feit bij een 24-uursbevel een ander rechtsgevolg teweeg dan bij een éénmaandsverwijderingsbevel. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de feitelijke situatie die aan het éénmaandsbevel ten grondslag is gelegd door eiser in deze procedure wel ter discussie kan worden gesteld, ook al heeft hij tegen het 24-uurs bevel geen rechtsmiddel aangewend.

3.3.  Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het hiervoor onder 1.1 aangehaalde door de verbalisant opgemaakte proces-verbaal van 4 november 2008 in samenhang met het aanvullende proces-verbaal van 11 februari 2009 genoegzaam dat eiser op 4 november 2008 opnieuw binnen het overlastgebied 1 is aangetroffen en dat eiser toen openlijk een hoeveelheid witte stof, gelijkend op dan wel zijnde een verdovend middel als bedoeld in lijst I van de Opiumwet, in een basepijpje voorhanden had. Tegen deze achtergrond valt niet in te zien dat de verbalisant dit pijpje ten onrechte heeft aangemerkt als middel om harddrugs te gebruiken. Een basepijpje is, ongeacht waar het in dit specifieke geval voor gebruikt werd, in ieder geval een voorwerp dat dient voor het gebruik van harddrugs en eiser heeft niet betwist dat hij dit voorwerp voorhanden had. Bovendien heeft de rechtbank geen reden te twijfelen aan de waarneming dat eiser een witte, op cocaïne gelijkende, stof aan het gebruiken was en dus geen marihuana. Het argument van eiser dat het 24-uursbevel is gebaseerd op een enkel vermoeden van de verbalisant faalt dan ook.

Vervolgens stelt de drugsgebruiker dat het verwijderbevel is te kenmerken als een bestraffende sanctie. Ook dat blijkt tevergeefs:

3.4.  Eiser stelt dat het hem opgelegde éénmaandsverwijderingsbevel in dit geval een bestraffend karakter heeft, omdat hem al eerder ook een 24-uursbevel is opgelegd voor de overtreding van 4 november 2008. De rechtbank volgt deze stelling van eiser niet. Anders dan eiser stelt is een verblijfsverbod als hier aan de orde geen bestraffende sanctie. Naar het oordeel van de rechtbank kan een verwijderingsbevel niet worden aangemerkt als een “criminal charge” in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). In beginsel is een verwijderingsbevel te beschouwen als een preventieve maatregel om een verdergaande verstoring van de openbare orde in het overlastgebied tegen te gaan. Dat wordt niet anders als voor dezelfde overtreding al eerder een 24-uursbevel is opgelegd. Immers, ook in dat geval heeft het éénmaandsverwijderingsbevel het tegengaan van verdergaande verstoring van de openbare orde in het overlastgebied tot oogmerk en niet de bestraffing van eiser. Uit het dossier blijkt dat eiser meerdere malen eerder 24-uursbevelen zijn opgelegd. Deze hebben kennelijk nadere verstoringen van de openbare orde niet kunnen voorkomen. De APV maakt het voor dit soort situaties mogelijk dat een ingrijpender middel voor hetzelfde doel wordt ingezet dat dan misschien wel het beoogde effect kan sorteren. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan in zijn specifieke geval leedtoevoeging beoogd zou zijn in plaats van dit beoogde doel van de openbare orde. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook in het onderhavige geval geen sprake van een bestraffende sanctie. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 4 mei 2011, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BQ3446. Dat de verwijderingsbevelen ingrijpend zijn en dat eiser deze anders ervaart, doet hieraan niet af.

De rechtbank komt tot de volgende conclusie:

3.5.  Nu vaststaat dat aan eiser bij besluit van 30 september 2008 een bevel voor veertien dagen is opgelegd, is met de gedraging op 4 november 2008 gegeven dat eiser binnen één jaar nadat hem een veertiendaagsbevel is gegeven opnieuw één van de in artikel 2.9, eerste lid, van de APV genoemde gedragingen heeft gepleegd. Daarmee is op grond van artikel 2.9, tweede lid, aanhef en onder b van de APV voor verweerder de bevoegdheid gegeven om aan eiser een verwijderingsbevel voor één maand op te leggen. Dat aan dit verwijderingsbevel een verwijderingsbevel voor 24 uur voorafgaat, maakt dit niet anders. De rechtbank acht deze getrapte opbouw van de regelgeving in het kader van het belang van het onmiddellijk beëindigen van de verstoring van de openbare orde, niet onredelijk. Verweerder was dan ook zowel bevoegd om aan eiser een 24-uursbevel op te leggen als op grond van de combinatie met de eerder gepleegde ordeverstorende gedragingen het bevel te geven om zich uit overlastgebied 1 te verwijderen en zich daar voor de duur van één maand niet meer te bevinden. Van strijd met het beginsel ne bis in idem is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Gelet op het vorenoverwogene is immers geen sprake van een bestraffende sanctie waarvoor dit beginsel van toepassing zou zijn. Daarnaast kan eveneens gelet op het vorenoverwogene worden vastgesteld dat de bescherming van de openbare orde in dit soort gevallen vereist dat een opbouw kan plaatsvinden in de ingrijpendheid van de ingezette middelen. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is dan ook evenmin sprake bij de inzet van de twee bevelen na elkaar.

Het ingestelde beroep tegen het verwijderbevel is ongegrond.

Zie LJN: BU9162.