Kamervragen over geweld bij weigering alcoholverkoop

Vragen van het lid Bouwmeester (PvdA) aan de ministers van Veiligheid en Justitie en Volksgezondheid, Welzijn en Sport over agressie bij weigering alcoholverkoop onder de 16 jaar (ingezonden 3 maart 2011).
Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie), mede namens de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (ontvangen 12 mei 2011).

Vraag 1
Kent u de uitzending van «Uitgesproken»d.d. 28 februari 2011, waarin jonge kassamedewerkers vertellen dat ze jongeren onder de zestien jaar bedreigd worden als ze weigeren alcohol en tabak te verkopen?

Antwoord 1
Ja.

Vraag 2
Herinnert u zich de Kamervragen van 26 november 2010 over hetzelfde onderwerp?1Antwoord 2
Ja.

Vraag 3
Deelt u de mening dat agressie en bedreiging onacceptabel is?

Antwoord 3
Die mening delen wij. Agressie en (dreigen met) geweld zijn vormen van gedrag die onacceptabel zijn in onze samenleving.

Vraag 4
Is bekend hoe vaak caissières te maken hebben met bedreiging en/of agressie?

Antwoord 4
Uit de Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven 2009 blijkt dat in de sector «detailhandel» supermarkten relatief vaak te maken hebben met geweld tegen het personeel: op jaarbasis gaat het om 17% van het personeel tegen 5% gemiddeld voor de hele sector. Meestal betreft het bedreiging, die door 75% van de slachtoffers genoemd wordt, gevolgd door mishandeling (29%).Uit de Monitor alcoholverstrekking 2009 van Bureau Intraval blijkt dat het weigeren van de verkoop van alcohol geen problemen geeft met jongeren bij de meer dan 100 levensmiddelenzaken die in het kader van dit onderzoek zijn benaderd.

Vraag 5
Op welke wijze worden ouders van deze jonge kinderen, die bedreigen  en/ of agressief zijn omdat ze alcohol willen kopen, op de hoogte gesteld van dit wangedrag?

Antwoord 5
Als aangifte wordt gedaan van agressie of bedreiging en deze aangifte aanleiding is tot nader onderzoek door de politie, dan worden de ouders vanzelf bij het vervolg betrokken, aangezien zij verantwoordelijk zijn voor het gedrag van hun minderjarige kinderen.

Vraag 6
Deelt u de mening dat de werkgever de plicht heeft een veilige werkplek te bevorderen? Zo ja, hoe beoordeelt u de uitspraak van de CNV dat supermarkt eigenaren dat onvoldoende doen?

Antwoord 6
Ja, het is de verantwoordelijkheid van de werkgever ervoor te zorgen dat het kassapersoneel, dat vaak zelf ook jong is, voldoende wordt beschermd op de werkvloer. Of, zoals het CNV aangeeft, de werkgever deze verantwoordelijkheid niet of onvoldoende neemt, kunnen wij niet bevestigen.

Vraag 7
Deelt u de mening dat de reeds geldende legitimatieplicht moet blijven bestaan en de werkgever caissières moet beschermen tegen agressie?

Antwoord 7
Ja. De bestaande wettelijke artikelen die betrekking hebben op leeftijdsverificatie, bieden voldoende mogelijkheden om iemand te vragen naar een geldig legitimatiebewijs ten tijde van de verkoop van alcohol, in die gevallen dat niet onmiskenbaar vaststaat dat iemand de vereiste leeftijd heeft bereikt. Als de koper vervolgens zijn legitimatiebewijs niet kan of wil tonen, dan mag de caissière niet overgaan tot verkoop van alcohol. Indien deze situatie vervolgens leidt tot een agressieve reactie bij de koper, dan is het aan de werkgever om de caissière in bescherming te nemen en zonodig de politie in te schakelen en aangifte te doen.

Vraag 8
Deelt u de mening dat er meer moet worden gedaan om alcoholverkoop aan jongeren onder de zestien jaar tegen te gaan, maar dat dit niet mag leiden  tot onveiligheid van caissières? Zo ja, bent u bereid hierover in overleg te treden met het CBL? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 8
Wij hebben onlangs een voorstel tot wijziging van de Drank- en Horecawet naar uw Kamer gestuurd. De wijziging heeft tot doel alcoholgebruik onder jongeren terug te dringen en de overlast door alcoholgebruik te voorkomen, alsmede de administratieve lasten voor de horecaondernemer te verminderen. Met het Centraal Bureau Levensmiddelen (CBL) wordt in diverse gremia gesproken over het tegengaan van alcoholverkoop aan jongeren onder de zestien jaar.

Vraag 9
Deelt u de mening dat, het verplicht opnemen van «three strikes, you’re out»  voor alle supermarkten de kans vergroot dat supermarkten de handen ineen slaan met het doel het terugdringen van de verkoop van alcohol onder jongeren onder de zestien jaar en tegelijk het terugdringen van agressie zal bevorderen?

Antwoord 9
Een nadere uitwerking van «three strikes, you’re out» maakt onderdeel uit van het voorstel tot wijziging van de Drank- en Horecawet, dat onlangs naar uw Kamer is gestuurd. Hiermee wordt beoogd de burgemeester de bevoegdheid te geven supermarkten tijdelijk te verbieden alcoholhoudende drank te verkopen als binnen één jaar drie keer wordt geconstateerd dat er sprake is van ongeoorloofde verkoop van alcoholhoudende drank. Wij gaan ervan uit dat dit voorstel een preventieve werking zal hebben.

Zie hier.

Kamervragen over veiligheid Amsterdam-West

Vragen van het lid Marcouch (PvdA) aan de minister van Veiligheid en Justitie over auto-inbraken in Amsterdam (ingezonden 13 april 2011).
Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 3 mei 2011).

Vraag 1
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Nieuw-West: actie tegen auto-inbraken»?1

Antwoord 1
Ja.

Vraag 2
Bent u op de hoogte van het feit dat in de Staalmanpleinbuurt, gelegen in het stadsdeel Nieuw-West in Amsterdam, de laatste weken talloze auto-inbraken hebben plaatsgevonden die gepaard gingen met vernielingen?

Antwoord 2
Ja.

Vraag 3
Is het waar dat dit soort misdrijven momenteel geen prioriteit heeft bij de politie, zoals buurtbewoners van de politie te horen hebben gekregen tijdens hun melding van de auto-inbraken? Zo ja, wat heeft dan wel prioriteit bij de politie? Zo nee, wat gaat u doen om de golf van auto-inbraken te bestrijden?

Antwoord 3
Het is aan het lokale gezag om in een specifieke situatie als deze prioriteiten te stelen en acties te ondernemen. Zoals ik uw Kamer heb gemeld in de brief van 18 februari en de brief van 2 mei . heeft dit kabinet voor de komende kabinetsperiode specifieke landelijke prioriteiten voor de politie vastgesteld waaronder de veiligheid in de wijk en de aanpak van high impact crime. Onderdeel van deze aanpak behelst de aanpak van delicten met een hoge impact op het slachtoffer: overvallen, straatroof, inbraken, geweld. Concrete doelstelling voor deze vorm van misdrijven is verhoging van de pakkans met 25%.

Vraag 4
Gaan de aangekondigde bezuinigingen op de Montfransgelden die bedoeld zijn voor de bevordering van veiligheid in wijken, leiden tot meer onveiligheid? Zo ja, op welke wijze gaat u dit voorkomen? Hoeveel budget gaat u alsnog vrijmaken om de veiligheid in wijken te garanderen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 4
In mijn op 4 april jl. aan de Tweede Kamer gezonden antwoorden op vragen van de leden Marcouch en Monasch over onveiligheid in Vinexwijken (2011Z03681) heb ik aangegeven dat het zorgen voor de veiligheid in de wijken allereerst een taak is van het lokale bestuur. De gemeenten zijn zelf het beste in staat om te bepalen welke maatregelen er nodig zijn, welke beëindigd moeten worden en welke voortgezet of gestart moeten worden om dit te realiseren. De beëindiging van enkele tijdelijke geldstromen neemt niet weg dat veiligheid voor dit kabinet prioriteit heeft. De structurele middelen voor veiligheid die gemeenten ontvangen via het Gemeentefonds, lopen ook na 2011 door. Bovendien zal het kabinet de komende jaren gemeenten op allerlei manieren blijven ondersteunen bij het versterken van de veiligheid en leefbaarheid, juist ook nu de financiële middelen beperkter zijn dan voorheen. Deze ondersteuning bestaat onder meer uit de realisatie van wettelijk instrumentarium tegen overlast en criminaliteit, het bevorderen van de lokale en regionale samenwerking (bijvoorbeeld door ondersteuning vanuit het Rijk van RIEC’s en veiligheidshuizen) en kennisdeling. Het Rijk spreekt hierover ook regelmatig met de VNG, de G32 en de G4.

Zie hier.

Vragen van het lid Marcouch (PvdA) aan de minister van Veiligheid en Justitie over auto-inbraken in Amsterdam (ingezonden 13 april 2011).
Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 3 mei 2011).
Vraag 1
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Nieuw-West: actie tegen auto-inbraken»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Bent u op de hoogte van het feit dat in de Staalmanpleinbuurt, gelegen in het stadsdeel Nieuw-West in Amsterdam, de laatste weken talloze auto-inbraken hebben plaatsgevonden die gepaard gingen met vernielingen?
Antwoord 2
Ja.
Vraag 3
Is het waar dat dit soort misdrijven momenteel geen prioriteit heeft bij de politie, zoals buurtbewoners van de politie te horen hebben gekregen tijdens hun melding van de auto-inbraken? Zo ja, wat heeft dan wel prioriteit bij de politie? Zo nee, wat gaat u doen om de golf van auto-inbraken te bestrijden?
Antwoord 3
Het is aan het lokale gezag om in een specifieke situatie als deze prioriteiten te stelen en acties te ondernemen. Zoals ik uw Kamer heb gemeld in de brief van 18 februari en de brief van 2 mei . heeft dit kabinet voor de komende kabinetsperiode specifieke landelijke prioriteiten voor de politie vastgesteld waaronder de veiligheid in de wijk en de aanpak van high impact crime. Onderdeel van deze aanpak behelst de aanpak van delicten met een hoge impact op het slachtoffer: overvallen, straatroof, inbraken, geweld. Concrete doelstelling voor deze vorm van misdrijven is verhoging van de pakkans met 25%.
Vraag 4
Gaan de aangekondigde bezuinigingen op de Montfransgelden die bedoeld zijn voor de bevordering van veiligheid in wijken, leiden tot meer onveiligheid? Zo ja, op welke wijze gaat u dit voorkomen? Hoeveel budget gaat u alsnog vrijmaken om de veiligheid in wijken te garanderen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 4
In mijn op 4 april jl. aan de Tweede Kamer gezonden antwoorden op vragen van de leden Marcouch en Monasch over onveiligheid in Vinexwijken (2011Z03681) heb ik aangegeven dat het zorgen voor de veiligheid in de wijken allereerst een taak is van het lokale bestuur. De gemeenten zijn zelf het beste in staat om te bepalen welke maatregelen er nodig zijn, welke beëindigd moeten worden en welke voortgezet of gestart moeten worden om dit te realiseren. De beëindiging van enkele tijdelijke geldstromen neemt niet weg dat veiligheid voor dit kabinet prioriteit heeft. De structurele middelen voor veiligheid die gemeenten ontvangen via het Gemeentefonds, lopen ook na 2011 door. Bovendien zal het kabinet de komende jaren gemeenten op allerlei manieren blijven ondersteunen bij het versterken van de veiligheid en leefbaarheid, juist ook nu de financiële middelen beperkter zijn dan voorheen. Deze ondersteuning bestaat onder meer uit de realisatie van wettelijk instrumentarium tegen overlast en criminaliteit, het bevorderen van de lokale en regionale samenwerking (bijvoorbeeld door ondersteuning vanuit het Rijk van RIEC’s en veiligheidshuizen) en kennisdeling. Het Rijk spreekt hierover ook regelmatig met de VNG, de G32 en de G4.

Kamervragen over mogelijkheid tot weigering wietpas door gemeenten

Vragen van het lid Bouwmeester (PvdA) aan de minister van Veiligheid en Justitie over de mogelijkheid om de wietpas te weigeren (ingezonden 25 februari 2011).
Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 5 april 2011).

Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Stad mag de wietpas negeren»?1Antwoord 1
Ja.

Vraag 2
Klopt de analyse van de hoogleraar dat gemeenten zelf kunnen bepalen of zij de wietpas willen invoeren of niet? Zo nee, welke rechtsregel heeft de hoogleraar gemist waaruit blijkt dat de gemeenten wel moeten voldoen aan de door het kabinet opgelegde eis om de wietpas in te voeren?

Antwoord 2
Zodra de maatregelen uit het Regeerakkoord zijn vormgegeven, zullen deze gaan gelden voor alle gemeenten. Het kabinet zal uw Kamer dit voorjaar over de vormgeving informeren.

Vraag 3
Bent u bereid om het invoeren van de wietpas als een advies aan de gemeenten voor te leggen in plaats van proberen de gemeenten te verplichten om de wietpas in te voeren?

Antwoord 3
Nee. Conform het Regeerakkoord wordt landelijk het principe van een besloten club ingevoerd. Een dergelijke invoering voorkomt dat zich een waterbed-effect voordoet en er regionaal coffeeshoptoerisme op gang komt. Uiteraard is er wel overleg met gemeenten en (grens-)regio’s over hoe dit het beste kan gebeuren.

Vraag 4
Deelt u de mening van de hoogleraar die beweert dat er een reële kans is dat de handel dan ondergronds gaat? Zo nee, waarom denkt u dat juist bij de introductie van de wietpas de handel niet ondergronds gaat? Zo ja, bent u bereid af te zien van het invoeren van de wietpas?

Antwoord 4
Het is niet uitgesloten dat een deel van de gebruikers zonder pasje zijn toevlucht zal proberen te nemen tot illegale verkooppunten. Illegale verkooppunten worden conform de wettelijke mogelijkheden aangepakt door het lokale bestuur, het Openbaar Ministerie en de politie. Zij vormen geen beletsel voor de introductie van de maatregelen uit het Regeerakkoord.

Vraag 5
Deelt u de mening van de hoogleraar dat de met de handel in softdrugs een groot economisch belang is gemoeid in Amsterdam dat verder strekt dan de softdrugs zelf? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 5
Het Nederlandse drugsbeleid steunt op twee pijlers. Die van de bescherming van de volksgezondheid enerzijds en van de bestrijding van overlast en criminaliteit anderzijds. Het drugsbeleid heeft niet tot doel de bescherming van economische belangen.V

raag 6
Wat is uw oordeel over de «wietknip»?

Antwoord 6
Voor zover ik uit de krant heb begrepen, maakt de wietknip het voor buitenlanders mogelijk om cannabis te kopen in een coffeeshop. Dit gaat in tegen het beleid, verwoord in het Regeerakkoord. Coffeeshops worden besloten clubs die alleen toegankelijk zijn voor meerderjarige ingezetenen van Nederland.

Zie hier.

Kamervragen over bewapenen winkelbeveiligers

Vragen van het lid Marcouch (PvdA) aan de minister van Veiligheid en Justitie over de oproep van de voorzitter van het College van procureurs-generaal om winkelbeveiligers te bewapenen (ingezonden 4 februari 2011).
Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 15 maart 2011) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 1568.
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het bericht «OM-baas: meer bevoegdheden beveiliger»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Is het waar dat de voorzitter van het College van procureurs-generaal dit pleidooi heeft gehouden? Zo ja, was u hiervan op de hoogte en heeft u hiermee ingestemd?
Antwoord 2
De voorzitter van het College van procureurs-generaal (het College) heeft op 1 februari 2011 in een speech gesproken over de vraag of het wenselijk zou zijn particulieren die betaald worden door bedrijven een publieke taak te laten vervullen als buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s). De aanleiding was een artikel waarin de voorzitter van de Vereniging van particuliere beveiligingsorganisaties pleitte voor meer bevoegdheden voor particuliere beveiligers, bijvoorbeeld bij het aanhouden van een winkeldief (Financieel Dagblad 7 december 2010). De voorzitter van het College is daarbij onder andere ingegaan op de mogelijkheid dat de overheid overlegt met het bedrijfsleven over de inzet van een «winkelboa» die kan optreden tegen winkeldiefstal. Hij is ook ingegaan op de vraag of een dergelijke «winkelboa» sommige geweldsmiddelen zou mogen inzetten.
Mijn uitgangspunt is dat het geweldsmonopolie bij de Staat moet blijven berusten. Ik onderzoek samen met de handhavingspartners hoe overheid en bedrijfsleven hun verantwoordelijkheid voor de lokale veiligheid optimaal kunnen waarmaken. Ik was er niet van op de hoogte dat de voorzitter deze speech zou geven noch had ik dat behoeven te zijn. Zijn bijdrage aan een discussie over publiek-private samenwerking bij het houden van toezicht en het handhaven in de openbare ruimte sluit aan bij mijn verkenningen. De vraag of eventuele door het bedrijfsleven betaalde boa’s in naam van de Staat en ten behoeve van het algemeen belang geweld zouden mogen toepassen, zal daarbij ook aan de orde komen. Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 3.
Vraag 3
Is het waar dat de inzet van particuliere beveiligers als buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA) een grote trendbreuk is met het huidige beleid, BOA’s in principe in overheidsdienst zijn? Zo nee, hoe verhoudt uw mening zich met de circulaire Buitengewoon Opsporingsambtenaar? Zo ja, wat zijn voor u de redenen om een groot deel van het geweldmonopolie te privatiseren?
Antwoord 3
Het is geen trendbreuk als boa’s niet enkel in dienst zijn van de overheid. Op grond van de Circulaire buitengewoon opsporingsambtenaar (Stcrt. 2011, 926) kunnen gemeenten voor een beperkt aantal opsporingsbevoegdheden boa’s inhuren bij particuliere organisaties. Dergelijke boa’s staan op de loonlijst van een particuliere organisatie en zijn tevens in onbezoldigde dienst van de overheid, zodat de aansturing van en het toezicht op de inzet van de boa en de samenwerking met de politie (regie en informatiedeling) goed kunnen worden geregeld. Van het privatiseren van het geweldsmonopolie is geen sprake. Ik verwijs u hieromtrent ook naar mijn beantwoording van de vragen van het lid Çörüz (Kamerstukken II, 2010–2011, Aanhangsel Handelingen, nr. 1222).
Vraag 4
Klopt het dat BOA’s op dit moment ingezet worden in de publieke ruimte en dat hun inzet altijd het publiek belang dient? Deelt u de mening dat dit voor particuliere beveiligers niet altijd gesteld kan worden?
Antwoord 4
Boa’s van de gemeente zorgen in de (semi-)openbare ruimte voor de handhaving van de lokale veiligheid met een focus op leefbaarheid, overlast en verloedering. Boa’s kunnen derhalve ook optreden op bedrijventerreinen en in winkelcentra. Boa’s dienen in het algemeen het publieke belang of een semi-publiek belang, zoals de Openbaar Vervoer-boa of de boswachter. In de private of semi-private ruimte zijn particuliere beveiligers actief die in opdracht van de ondernemer veiligheid bevorderen voor de ondernemer en zijn eigendommen, zijn personeel en zijn publiek. Zij dienen daarmee een privaat en/of commercieel belang en ook een publiek belang.
Vraag 5, 7, 8
Welke problemen constateert u in de praktijk van de particuliere beveiligers, die opgelost worden door hen een BOA-status te geven en mogelijk bijbehorende geweldsmiddelen toe te staan? Vindt u de introductie van de particuliere opsporingsambtenaar een proportioneel middel of ziet u andere middelen om deze problemen te ondervangen? Is het aanstellen van extra wijkagenten niet een veel doeltreffender oplossing?
Wat voor extra toezicht door politie en Openbaar Ministerie (OM) op particuliere BOA’s acht u nodig, mede gelet op de knelpunten die al geconstateerd zijn door de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (IOOV) in juni 2009? Deelt u de mening dat het zinvoller is om deze inzet direct ten goede te laten komen aan criminaliteitsbestrijding?
Deelt u de mening dat de introductie van geweldsmiddelen voor particuliere beveiligers de onderlinge verschillen in bevoegdheid tussen de verschillende particuliere en publieke toezichthouders vervaagt? Zo ja, hoe wilt u ervoor zorgen dat de verschillen voor iedereen duidelijk zijn? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5, 7, 8
Ik acht het niet wenselijk vooruit te lopen op de in het antwoord op vraag 2 genoemde verkenning. Zodra ik in dat verband tot conclusies ben gekomen, zal ik uw Kamer dienaangaande informeren.
Vraag 6
Acht u de rollen verenigbaar van particulier beveiliger en onbezoldigd overheidswerknemer voor het uitoefenen van de taken van BOA-taken? Zo ja, hoe ziet u deze combinatie voor zich? Hoe kan de overheid de inzet van de betreffende beambten sturen?
Antwoord 6
Volgens artikel 5.2 Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) mag een boa niet naast zijn werkzaamheden als boa tevens werkzaamheden voor een beveiligingsorganisatie verrichten. Van dit verbod wordt op grond van artikel 5.4 Wpbr ontheffing verleend als de functie als opsporingsambtenaar en de werkzaamheden bij de beveiligingsorganisatie zich zodanig tot elkaar verhouden dat het gevaar voor vermenging van taken en het gevaar voor overdracht van politie-informatie of opsporingsinformatie tot een minimum beperkt blijven. Uitgangspunt daarbij is en blijft dat de betrokken persoon niet op één en dezelfde plaats beide petten tegelijkertijd kan dragen en dus niet kan wisselen naar eigen inzicht. Ik acht het van groot belang dat taken en bevoegdheden voor de burger te allen tijde duidelijk zijn.
Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Vraag 9
Deelt u de mening dat de branche van particuliere beveiligingsbedrijven, een commercieel belang heeft als die pleit voor bewapening van beveiligers en toegang tot politiegegevens? Strookt belang van de branch met dat van u, zodat er meer toezichthouders komen zonder dat u 3000 extra agenten hoeft te betalen? Zo ja, welke invloed houdt de overheid op de inzet van particuliere toezichthouders en hoe wordt het geweldmonopolie van de staat gewaarborgd?
Antwoord 9
Zoals aangegeven in het antwoord op vragen 3 en 4 dienen de taken van particuliere beveiligers ook een publiek belang.
Gemeentelijke straattoezicht- en handhavingdiensten zijn geen aanvulling op, vervanging of concurrent van de politie, maar een exponent van de eigen verantwoordelijkheid van het lokaal bestuur voor de lokale veiligheid. Zij zijn het antwoord op verzoeken van burgers aan de gemeente om zaken op het terrein van leefbaarheid, verloedering en overlast in de openbare ruimte aan te pakken.
Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 2.
Vraag 10
Als u op deze wijze beveiligers als verlengstuk van de politie in kunt zetten tellen, de BOA’s van de dierenbescherming, de Algemene Inspectiedienst (AID) en de landschapsbeheerders dan ook mee bij de taakstelling van de regering voor animal cops? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 10
Dergelijke boa’s tellen niet mee bij de taakstelling van de regering voor animal cops. De dierenpolitie gaat bestaan uit 500 agenten en niet uit boa’s. Het kabinet heeft ervoor gekozen om agenten met algemene opsporingsbevoegdheid in te zetten bij de aanpak van dierenmishandeling en dierenverwaarlozing. Zo kan de pakkans voor daders van deze delicten worden vergroot en kunnen ook delicten die in samenhang worden gepleegd met dierenmishandeling en dierenverwaarlozing worden aangepakt.

Zie hier.

Kamervragen over ernstige overlast in Hemelum

Vragen van het lid Marcouch (PvdA) aan de minister van Veiligheid en Justitie over het terroriseren van dorpsbewoners in Hemelum (Friesland) (ingezonden 22 december 2010).
Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 11 maart 2011) zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 998.
Vraag 1
Kent u het bericht «Onmacht tegen dorpsterreur Hemelum»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2 en 3
Is het waar dat dorpsbewoners van Hemelum zuchten onder de terreur van twee gezinnen? Zo ja, hoe heeft dit zo ver kunnen komen? Wat gaat u er aan doen om hieraan een einde te maken? Zo nee, hoe zou u situatie dan wel omschrijven?
Zijn er meer dan twee gezinnen verantwoordelijk voor het escaleren van de situatie in Hemelum? Zo ja, hoeveel gezinnen betreft dit in het totaal? Hoeveel overlast veroorzaken deze gezinnen voor de rest van het dorp?
Antwoord 2 en 3
Het Openbaar Ministerie heeft mij bericht dat er in Hemelum sprake is van een conflictsituatie tussen in totaal vijf gezinnen, waarbij over en weer sprake is van overlast en bedreigingen. Ook de waarnemend burgemeester van de gemeente Súdwest Fryslân heeft mij bericht dat naar zijn oordeel alle bij dit burenconflict betrokken partijen in meer of mindere mate medeverantwoordelijk zijn voor de ontstane situatie. Ik kan mij goed indenken dat deze situatie in een kleine gemeenschap als Hemelum een grote impact heeft, ook op bewoners die niet rechtstreeks bij het conflict betrokken zijn.
Het is de taak van de overheid (politie, justitie en gemeente) om degenen die over de schreef gaan aan te pakken, en degenen die slachtoffer zijn bij te staan. Daar wordt ook in deze situatie op ingezet. De politie is veelvuldig ter plaatse en aangiftes worden opgenomen, beoordeeld op bewijsbaarheid en waar mogelijk verder in onderzoek genomen. Zie daaromtrent verder het antwoord op de vragen 4 tot en met 7. Daar waar daders ook slachtoffers zijn en andersom, ligt de sleutel voor een duurzame oplossing in bemiddeling. Ook daarop wordt vol ingezet. Zie daarover verder het antwoord op de vragen 8 tot en met 11.
Vraag 4
Hoe vaak hebben inwoners van het dorp Hemelum aangifte gedaan tegen leden van twee gezinnen die in het artikel van dorpsterreur worden beschuldigd? Hebben deze aangiften tot vervolging of veroordeling geleid? Zo ja, hoe vaak? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 4
In 2009 en 2010 is in totaal 16 keer aangifte gedaan tegen personen uit de twee gezinnen in kwestie. In alle gevallen is door de politie onderzoek gedaan en proces-verbaal opgemaakt. Deze zijn besproken met het Openbaar Ministerie. Geen van deze aangiftes werd bewijstechnisch als voldoende aangemerkt om tot vervolging over te gaan. Eén zaak is nog bij het Openbaar Ministerie in onderzoek. In deze zaak is ook beeldmateriaal beschikbaar. Verder zijn er in de genoemde periode 98 meldingen gedaan over incidenten. Het grootste deel hiervan behelst overlast en pesterijen.
Vraag 5
Hebben leden van een van de twee genoemde gezinnen aangifte gedaan tegen andere dorpsbewoners? Zo ja, hoe vaak? Hoe vaak heeft dat tot vervolging of veroordeling geleid? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
In totaal is dat drie maal gebeurd. Ook in deze gevallen was sprake van onvoldoende bewijs om tot vervolging over te gaan.
Vraag 6 en 7
Hebt u de indruk dat er sprake is van angst onder de bevolking van Hemelum en wel zodanig dat die angst een aantal inwoners van het dorp er van heeft weerhouden aangifte te doen? Zo ja, wat is uw mening hierover? Zo nee, hoe zou u de gevoelens van deze bewoners omschrijven?
Is het waar dat de politie bewoners soms heeft afgeraden aangifte te doen met als argument dat ze niet beschermd kunnen worden tegen de represailles van de verdachten? Zo ja, deelt u de mening dat daardoor het gezag bij de politie wegvalt en feitelijk wordt toegegeven dat er sprake is van een voor de politie niet meer te controleren situatie? Zo nee, wat is dan wel gezegd tegen bewoners om ze van aangifte te weerhouden?
Antwoord 6 en 7
Het Openbaar Ministerie heeft mij bericht niet de indruk te hebben dat bewoners zich weerhouden voelen of bang zijn om aangifte te doen. Hen wordt dat in ieder geval niet afgeraden. Integendeel, de burgemeester heeft de betrokken gezinnen geadviseerd om iedere keer dat men overlast ondervond van de buren dit te melden bij de politie. In een enkel geval is uitgelegd dat een aangifte niet leidt tot vervolging, omdat de betreffende feiten een strafrechtelijke reactie niet mogelijk maken. Hoewel pogingen van de politie om door bemiddeling het conflict op te lossen hebben gefaald is er geen sprake van dat de situatie niet meer door de politie is te controleren. In meer dan 100 gevallen is de politie ter plaatse geweest.
Vraag 8
Wat is de bemoeienis van de burgemeester bij de verwikkelingen in Hemelum? Is het waar dat hij zich oprecht ontzet heeft getoond en vond dat er ingegrepen moest worden? Zo ja, wat heeft de burgemeester gedaan om de situatie in het dorp te verbeteren? Waartoe heeft dit concreet geleid? Wat kan het gemeentebestuur doen om de situatie te verbeteren?
Antwoord 8
De waarnemend burgemeester heeft mij bericht dat er sinds 2008 onder regie van de gemeente meerdere gesprekken zijn gevoerd met de betrokken families en diverse instanties, waarbij getracht is een oplossing te vinden. Door de gemeente zijn verschillende opties tot ingrijpen overwogen, waaronder het toepassen van de «Wet Victoria» en zelfs het opkopen van een van de woningen. Om diverse redenen bleken deze opties (nog) niet geschikt. De situatie wordt bemoeilijkt doordat de betrokken families niet met elkaar willen praten, maar alleen over elkaar, en doordat geen van de partijen zelf civielrechtelijke stappen wil nemen om de situatie langs die weg te beëindigen. De waarnemend burgemeester heeft mij laten weten dat hij in overleg met politie en OM heeft besloten om zich persoonlijk met de zaak te bemoeien in een ultieme poging om tot een oplossing te komen.
Vraag 9 en 11
Heeft er afstemming plaatsgevonden tussen politie en het openbaar ministerie (OM) enerzijds en het gemeentebestuur anderzijds plaatsgevonden? Zo ja, op welke wijze en met welk resultaat? Zo nee, waarom niet?
Wat is de bemoeienis van het Veiligheidshuis Fryslân bij de verwikkelingen in Hemelum? Wat is de stand van zaken van de behandeling van de pesterijen en treiterijen die bij het Veiligheidshuis Fryslân?
Antwoord 9 en 11
Naar aanleiding van de aangiften en meldingen hebben het Openbaar Ministerie en de gemeente bezien welke maatregelen mogelijk zijn. Daarbij is ook gekeken naar maatregelen waarbij het Veiligheidshuis een coördinerende rol speelt. Het Veiligheidshuis is een samenwerkingsverband van onder andere het Openbaar Ministerie, de politie, gemeenten, de Raad voor de Kinderbescherming, de Reclassering en de GGD. Het Veiligheidshuis zet persoonsgerichte trajecten op voor overlastgevers en criminelen. Het Veiligheidshuis Fryslân is sinds mei 2010 betrokken bij de problematiek in Hemelum. Sindsdien zijn gesprekken met de betrokken families en andere partijen georganiseerd. Dat heeft bijgedragen tot een zekere deëscalatie, maar heeft de problemen niet kunnen oplossen. De betrokkenheid van het Veiligheidshuis is inmiddels afgerond.
Vraag 10
Zijn er meer instanties dan politie, OM en gemeente bij de in opspraak zijnde gezinnen in Hemelum betrokken? Zo ja, welke?
Antwoord 10
Naast de in de vraag genoemde instanties en de partijen die deelnemen aan het Veiligheidshuis Fryslân zijn via het Sociaal Team Nijefurd/Gaasterlân-Sleat nog twee woningbouwverenigingen, het Algemeen Maatschappelijk Werk, GGZ, en Verslavingszorg Noord-Nederland bij de problematiek van de gezinnen betrokken. Verder krijgt een van de families bijstand van een gezinscoach.
Vraag 12
Kunt u zich voorstellen dat bewoners van het dorp teleurgesteld zijn in de politie en de gemeente Nijefurd? Zo ja, wat gaat u doen om die teleurstelling weg te nemen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 12
Ik kan mij goed voorstellen dat de bewoners van het dorp teleurgesteld zijn dat de overlast niet is opgehouden. Het is erg onbevredigend dat een burenconflict zo uit de hand kan lopen, en dat ondanks allerlei pogingen daartoe ook van buitenaf nog geen oplossing kon worden gevonden. Het beeld dat politie, justitie en gemeente zich daartoe geen moeite hebben getroost, deel ik niet. Ik zal de nu door de waarnemend burgemeester te ondernemen acties op lokaal niveau (zie vraag 9) volgen en waar mogelijk ondersteunen.
Vraag 13 en 14
Welke wettelijke mogelijkheden bestaan er om structureel overlastgevende burgers uit hun woonhuis te zetten? Is het gebruik van een van die mogelijkheden in Hemelum aan de orde? Zo ja, welke en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zijn die mogelijkheden om een structureel overlastgevende burger of gezin uit huis te zetten in het geval het een huurhuis betreft anders dan wanneer het om een koophuis gaat? Zo ja, wat zijn die verschillen?
Antwoord 13 en 14
De diverse (juridische) instrumenten, zoals de sluiting van panden, om burgers die structureel overlast geven aan te pakken staan beschreven in de handreiking «Aanpak woonoverlast en verloedering». Deze is in juli 2010 naar alle gemeenten in Nederland gestuurd, en uw Kamer is hierover op 23 juni 2010 geïnformeerd (TK 2009–2010, 28 684, nr. 278). De aanpak van overlast vanuit een huurhuis is anders dan die van overlast vanuit een koophuis. Hieraan is tevens aandacht besteed in de handreiking. Voor de maatregelen die de gemeente in Hemelum heeft overwogen of getroffen verwijs ik naar het antwoord op vraag 8.

Zie hier.