Woningsluiting 13b Opiumwet na aantreffen hennepkwekerij in strijd met art. 8 EVRM

De burgemeester van Venlo sluit een woning nadat daar een hennepkwekerij is aangetroffen. De plantage heeft een kleine omvang (6,3 m2) en bestaat uit 80 tot 90 hennepplanten. Er is daarom geen sprake van illegaal stroomverbruik en brandgevaar. De rechter acht het aannemelijk dat de burgemeester bevoegd is om in dit geval de bevoegdheid van art. 13b Opiumwet toe te passen. De sluiting is wel strijdig met het recht op privacy uit art. 8 EVRM. Lees verder

Toestaan Oud- en Nieuwfeest in Amsterdam niet in strijd met art. 8 EVRM

De burgemeester van Amsterdam verleend een evenementenvergunning voor het Staatsloterij Oud- en Nieuwfeest op het Museumplein in Amsterdam. Omwonenden maken bezwaar tegen dit besluit en stellen beroep in. Zij stellen onder meer dat het evenement in strijd is met art. 8 EVRM. De rechtbank overweegt daarover:

3.12  Eisers hebben aangevoerd dat het evenement in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Volgens eisers worden de omwonenden gedwongen om rond de jaarwisseling hun woningen te verlaten. Bovendien is sprake van schade aan woningen als gevolg van trillingen, aldus eisers. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat het evenement een bepaalde mate van geluidsoverlast voor omwonenden met zich brengt. In het bestreden besluit zijn echter specifieke voorschriften gesteld met betrekking tot de maximale geluids- en trillingsniveaus. Daarbij komt dat, zoals verweerder ook heeft toegelicht, bij de programmering van het evenement is gekozen voor muziek die niet uitnodigt tot springen, zodat trillingen zoveel mogelijk worden beperkt. De rechtbank is niet gebleken dat naar objectieve maatstaven bezien, mede gelet op de beperkte duur van het evenement, sprake is van een onaanvaardbare geluids- of trillingsoverlast voor eisers. Van de door eisers gestelde schade aan woningen is de rechtbank niet gebleken. Van een dusdanige (geluids- of trillings)belasting van het milieu dat deze onevenredige gevolgen heeft voor de betrokkenen, is niet, althans onvoldoende gebleken. Voor het oordeel dat sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM, ziet de rechtbank dan ook geen grond.

Zie LJN: BT7100.

Verplichting tot bescherming tegen pestacties buren niet verontachtzaamd

Appellant moet van het college van B&W onder last van een dwangsom zijn houtwal weghalen. Volgens appellant is hij het slachtoffer van pest- en wraakacties van zijn buren. De Afdeling overweegt daaromtrent:

“2.8. [appellanten] betogen voorts dat het college met het besluit van 6 april 2010 zijn uit artikel 8 van het EVRM voortvloeiende verplichting om hen te beschermen tegen pest- en wraakacties heeft veronachtzaamd. Met de houtwal die, bezien in samenhang met andere gebeurtenissen, enkel is geplaatst om hen te pesten, wordt het uitzicht weggenomen en met pesterijen en andere drukmiddelen wordt hun woongenot verstoord en hun eigendom als bedoeld in artikel 1 van het Protocol bij het EVRM aangetast, aldus [appellanten]. Zij betogen verder dat de bij besluit van 27 mei 2010 van de raad van de gemeente Baarle-Nassau vastgestelde wijziging van artikel 2:15 van de APV in strijd met het EVRM is geschied en dat de raad met de vaststelling van deze wijziging in strijd met de aanbevelingen van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) heeft gehandeld.


2.8.1. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het besluit van 6 april 2010, waarin [belanghebbende] de gelegenheid wordt geboden om de overtreding van het verbod ongedaan te maken door middel van het snoeien van de houtwal voor zover deze het vrije uitzicht aan het wegverkeer belemmert, een zodanige negatieve invloed heeft op het woon- en leefgenot van [appellanten] dat hiermee een inmenging in de rechten neergelegd in artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft plaatsgevonden. Hierbij is van belang dat de houtwal is gelegen in een bocht, enkele meters van de weg af en op een aan [belanghebbende] toebehorend lager gelegen perceel is aangebracht. De houtwal is voorts op enige afstand van de woning van [appellanten] aangebracht. Het betoog van [appellanten] dat de plaatsing van de houtwal door [belanghebbende] onderdeel is van een geheel van pest- en wraakacties door de eigenaar van [camping] en dat gelet op deze samenhangende omstandigheden een inmenging van de rechten neergelegd in artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft plaatsgevonden, leidt niet tot een ander oordeel. In deze procedure ligt immers slechts het besluit van 6 april 2010 ter beoordeling voor.


Anders dan [appellanten] betogen, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat het college met het besluit van 6 april 2010 zijn uit artikel 8 van het EVRM voortvloeiende positieve verplichting heeft veronachtzaamd. Het college heeft immers met het besluit van 6 april 2010 gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden tegen de houtwal voor zover deze het vrije uitzicht aan het wegverkeer belemmert. Hiermee wordt in elk geval bewerkstelligd dat de houtwal, gelegen op het perceel van [belanghebbende] en met inachtneming van diens eigendom, op zodanige wijze wordt gesnoeid dat het vrije uitzicht – ook voor [appellanten] – niet wordt belemmerd althans niet in zodanige mate dat een inmenging van het recht neergelegd in artikel 8 van het EVRM plaatsvindt. Het in dit verband gedane beroep van [appellanten] op het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 20 april 2004 in de zaak Surugiu tegen Roemenië, nr. 48995/99, faalt dan ook. De Afdeling is voorts van oordeel dat het betoog van [appellanten] dat het recht op ongestoord genot van het eigendom in de zin van artikel 1 van het Protocol bij het EVRM is geschonden, gelet op de ligging van de houtwal ten opzichte van hun woning en het besluit van 6 april 2010, faalt.”

Zie LJN: BN9561

Hof: kraakverbod in strijd met art. 8 EVRM

Kraker stellen dat het kraakverbod in strijd is met art. 8 EVRM. Het Hof Den Haag is het daarmee eens:

“4.3  Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft herhaaldelijk beslist dat het gedwongen verlies van iemands huis (‘home’) de meest vergaande vorm van inmenging in de uitoefening van het huisrecht is en dat eenieder die het risico loopt op een dergelijk ernstige inmenging in beginsel de mogelijkheid moet hebben de proportionaliteit van de maatregel te laten toetsen door een onafhankelijke rechtsprekende instantie (‘tribunal’). Zie de uitspraken inzake McCann/UK van 13 mei 2008 en Zehentner/Oostenrijk van 16 juli 2009. In de zaak McCann/UK werd overwogen:

“Any person at risk of an interference of this magnitude should in principle be able to have the proportionality of the measure determined by an independent tribunal in the light of the relevant principles under Article 8 of the Convention, notwithstanding that, under domestic law, his right of occupation has come to an end.”

Deze uitspraken kunnen moeilijk anders worden begrepen dan dat degene die met uitzetting wordt bedreigd in de gelegenheid moet zijn de zaak aan de rechter voor te leggen, voordat de ontruiming wordt geëffectueerd.

(…)

4.5  De voorzieningenrechter heeft ten aanzien van dit punt overwogen dat het EHRM, blijkens de laatste woorden van de hiervoor geciteerde passage uit het arrest McCann, uitsluitend het oog heeft gehad op situaties waarin een recht van bewoning bestaat of heeft bestaan, waarbij de voorzieningenrechter er kennelijk van uit gaat dat een dergelijk recht in het onderhavige geval nooit heeft bestaan. Het is echter onaannemelijk dat het EHRM zijn overweging heeft willen beperken tot die situaties. De bewuste woorden zijn niet herhaald in het arrest Zehentner. Bovendien heeft het EHRM bij herhaling, onder meer in de zaak McCann, beslist:

“whether a property is to be classified as a “home” is a question of fact and does not depend on the lawfulness of the occupation under domestic law”.

Tegen deze achtergrond moet geoordeeld worden dat de ontruiming van appellanten uit hun woningen slechts kan plaatsvinden nadat de voorzieningenrechter over de rechtmatigheid van de ontruiming een uitspraak heeft kunnen doen. Aangezien het recht op een ‘effective remedy’ niet vereist dat tegen de uitspraak in eerste instantie ook een rechtsmiddel open staat, acht het hof het noodzakelijk maar ook voldoende dat appellanten de gelegenheid krijgen het oordeel van de voorzieningenrechter in te roepen. Het OM hoeft evenwel niet de uitkomst van een eventueel tegen die uitspraak ingesteld hoger beroep af te wachten.

(…)

4.8  De Staat heeft ten slotte aangevoerd dat het EHRM heeft overwogen dat, voordat ontruimd wordt, ‘in principle’ toegang tot de rechter moet bestaan. De Staat voert echter niet aan op welke grond in dit geval een uitzondering op dat beginsel zou moeten worden gemaakt. Het hof is overigens van oordeel dat, gelet op de ernst van de inbreuk op het huisrecht die ontruiming impliceert, slechts bij hoge uitzondering denkbaar is dat ontruimd wordt voordat de rechter uitspraak heeft gedaan, zoals wanneer de openbare veiligheid zodanig onverwijlde ontruiming eist dat zelfs de uitspraak van de voorzieningenrechter niet kan worden afgewacht. Ook hiervoor geldt dat mogelijke uitzonderingen op de regel nauwkeurig moeten zijn omschreven en hetzij in een wettelijke regeling hetzij in gepubliceerde beleidsregels moeten zijn vastgelegd wil aan de vereisten van art. 8 en 13 EVRM zijn voldaan.”

Het Hof verbiedt de Staat op strafrechtelijke gronden over te gaan tot ontruiming van de desbetreffende kraakpanden.

Zie LJN: BO3682

Zie LJN: BO2936 voor het eerdere vonnis van de voorzieningenrechter (29-10-2001) van de Rechtbank Den Haag.

Zie LJN: BO1533 voor het vonnis van de Rb. Den Haag (22-10-2010).