College van b&w treedt handhavend op tegen schutting die overlastjeugd moet tegenhouden

Een inwoner van Utrecht plaatst een schutting omdat hij overlast onderbindt van jongeren op een hangplek. Volgens het college van b&w is deze schutting illegaal aangezien geen omgevingsvergunning is verleend en legt een last onder dwangsom op. De Afdeling Bestuursrechtspraak acht dit gezien de beginselplicht tot handhaving rechtmatig.  Lees verder

Café op grond van APV door burgemeester gesloten na verstoring openbare orde / vechtpartij

In en rond een café vindt een vechtpartij tussen personeel en bezoekers plaats. De burgemeester besluit het café op grond van de APV en art. 174 Gemeentewet te sluiten. De rechter acht aannemelijk dat sprake was van een verstoring van de openbare orde en dat dit de sluiting rechtvaardigt. Lees verder

Coffeeshops raken vergunningen kwijt na verdenking internationale drugshandel door coffeeshopeigenaar

Een coffeeshophouder verliest de exploitatievergunningen voor drie coffeeshops in Amsterdam. Volgens de burgemeester vormt hij door een verdenking van internationale drugshandel een gevaar voor de openbare orde en een bedreiging voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de coffeeshops. De voorzieningenrechter volgt de burgemeester in zijn beslissing. Lees verder

Burgemeester sluit café na vechtpartij op grond van APV

De burgemeester van Dordrecht sluit op grond van de APV een café. In en rond het café hebben vechtpartijen plaatsgevonden. Daardoor is een gevaar voor de openbare orde ontstaan. De Afdeling acht dit optreden van de burgemeester rechtmatig:

Gelet op het aantal personen dat bij voormelde vechtpartijen betrokken was en op de omvang van het noodzakelijke politie-ingrijpen, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze vechtpartijen de vrees wettigden dat het geopend blijven van het danscafé gevaar opleverde voor de openbare orde en een bedreiging vormde voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het danscafé. Derhalve was de burgemeester op grond van artikel 2.3.8, tweede lid, aanhef en onder f, en artikel 2.3.9, eerste lid, aanhef en onder c, van de APV bevoegd om de voor de exploitatie van het danscafé verleende vergunning te schorsen en om het danscafé al dan niet tijdelijk gesloten te verklaren.

De schorsing van de vergunning voor de duur van drie maanden en de geslotenverklaring van het danscafé voor dezelfde duur zijn in overeenstemming met het in het Handhavingsbeleid neergelegde beleid ten aanzien van zeer ernstige incidenten. De rechtbank heeft dat beleid terecht niet kennelijk onredelijk geacht. Zoals de rechtbank evenzeer terecht heeft overwogen, is voor de vraag of de gebeurtenissen van 30 mei 2009 een zeer ernstig incident in de zin van het Handhavingsbeleid vormen, niet van doorslaggevend belang of bewezen is dat een steekincident heeft plaatsgevonden. In het Handhavingsbeleid worden niet alleen steekincidenten, maar ook grootschalige vechtpartijen als zeer ernstige incidenten aangemerkt. Het feit dat de gebeurtenissen van 30 mei 2009 grootschalige vechtpartijen betreffen, brengt derhalve reeds met zich dat zij een zeer ernstig incident in de zin van het Handhavingsbeleid vormen. Het betoog faalt.

Zie LJN: BV0562.

Het blowverbod opnieuw uitgevonden?

Een verdachte wordt vervolgd vanwege overtreding van art. 10 APV Utrecht. Dat artikel luidt als volgt:

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 424, 426 bis en 431 van het Wetboek van Strafrecht is het verboden op of aan de weg, of in een voor het publiek toegankelijk gebouw op enigerlei wijze de orde te verstoren, zich hinderlijk te gedragen, personen lastig te vallen, te vechten, deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.

De verdachte zou drugs hebben gebruikt op straat en daarom de openbare orde hebben verstoord. In hoger beroep gebeurd er wat bijzonders. De Advocaat-Generaal verzoekt om ontslag van alle rechtsvervolging aangezien het verbod onverbindend is:

Mijns inziens dient art. 10 lid 1 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Utrecht onverbindend te worden verklaard wegens strijd met een hogere regeling. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft op 13 juli 2011 geoordeeld dat het per APV verbieden van het gebruiken of aanwezig hebben van drugs in strijd is met de Opiumwet. Ik leg een persbericht over, dat verwijst naar de betreffende uitspraak, nr. 201009884/1 (LJN BR1425). De ABRvS is het hoogste rechtsorgaan op dit gebied, waardoor er geen rechtsmiddel tegen deze beslissing openstaat. Zij heeft hiermee duidelijk een richting aangegeven. Het proces-verbaal van bevindingen van een verbalisant biedt voldoende bewijs van het gebruik van drugs door verdachte. Naar mijn mening is verdachte echter niet strafbaar. Ik concludeer dan ook tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en vorder verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Het hof gaat daar niet in mee:

Gewezen kan worden dat er sprake is van een overtreding van art. 10 lid 1 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Utrecht. Dit artikel behelst een regeling omtrent de (voorbereiding van) het gebruik van verdovende middelen. Er is echter geen sprake van een rechtstreeks verbod op het aanwezig hebben van de middelen die vallen onder Opiumwet. Hoewel er in sommige gevallen de facto een overlapping met de Opiumwet kan ontstaan, is deze bepaling door zijn formulering ruimer, aangezien zij mede ziet op de voorbereiding en niet enkel op het ‘voltooide’ delict. Mede gelet op het in de APV-bepaling uitgedrukte doel van het betreffende verbod, te weten de handhaving van de openbare orde, dat is het gevoel van vrede en veiligheid van de burger, is er geen juridisch relevante overlapping met de Opiumwet, die als doel heeft het bevorderen van de volksgezondheid. Het hof ziet daarom geen aanleiding om art. 10 lid 1 APV Utrecht onverbindend te verklaren.

De verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete.

Zie LJN: BV3446.