40 katten houden in woning is in strijd met het bestemmingsplan

Een inwoner van de gemeente Twenterand houdt 40 katten in haar woning. Het college van b&w legt haar een last onder dwangsom op omdat dit in strijd is met het bestemmingsplan. De bewoner moet het aantal katten terugbrengen tot tien. De voorzieningenrechter acht deze last onder dwangsom rechtmatig.

De rechter overweegt:

De voorzieningenrechter overweegt dat ingevolge vaste jurisprudentie de vraag of het ter plaatse houden van 20 tot 40 katten in strijd is met de bestemming ‘woongebied’, moet worden beoordeeld aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dat gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft. Bepalend hierbij is of deze uitstraling van dien aard is dat deze nier meer valt te rijmen met de woonfunctie van het betreffende perceel (zie bijvoorbeeld ABRvS 21 juli 2010, LJN BN1865). Verweerder heeft ter zitting nader toegelicht hoe hij gelet op deze jurisprudentie tot de conclusie is gekomen dat het houden van maximaal tien katten op het perceel nog wel passend is binnen de woonbestemming. Verweerder heeft gesteld dat rekening is gehouden met de grootte van het perceel, met de ligging van de woning in een woonwijk en met het feit dat de woning directe buren heeft waarbij de buitenrennen direct tegen de perceelgrens zijn gebouwd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de grens van tien katten hiermee voldoende heeft gemotiveerd, zodat de stelling van verzoekster hieromtrent wordt verworpen. Nu verzoekster tijdens de zitting heeft verklaard ongeveer 40 katten te houden, handelt verzoekster in strijd met de gebruiksbepaling uit het bestemmingsplan, zodat verweerder bevoegd was een last onder dwangsom op te leggen, inhoudende het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van het houden van katten te beperken tot maximaal tien katten.

(….)

Tot slot heeft verzoekster aangevoerd dat handhavend optreden onevenredig is in verhouding met de daarmee te dienen belangen, nu het houden van meer dan 10 katten niet tot overlast leidt. De derde-belanghebbende heeft tijdens de zitting gesteld dat er wel degelijk sprake is van stankoverlast en dat dat zich met name in de zomer voordoet. Verweerder heeft gesteld dat er een controlerapport is waarin de overlast is vastgesteld. Gelet op deze punten acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat er sprake is van overlast. Het standpunt van verzoekster wordt derhalve verworpen.

Zie LJN: BV9131

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *