ABRvS: intrekken exploitatievergunning na brand door hennepteelt is rechtmatig

De burgemeester van Schouwen-Duiveland trekt een exploitatievergunning in. In een horeca-inrichting is namelijk een hennepkwekerij in brand gevlogen, met ernstige schade tot gevolg. De voorzitter van de ABRvS acht het niet onrechtmatig dat de burgemeester de exploitatievergunning heeft ingetrokken aangezien de openbare orde in het geding was. Lees verder

Eigenaar stal met hennepkwekerij hoeft schade aan derden niet te vergoeden

In een oude stal wordt door een huurder een hennepkwekerij ingericht. In de stal breekt een brand uit . De eigenaar van een omliggend perceel leidt schade:  zijn oogst wordt vernietigd. De eigenaar van de stal zegt van niets te weten van de hennepkwekerij. Het gerechtshof wijst het verzoek tot schadevergoeding af. Lees verder

Psychisch zieke overlastveroorzaker hoeft huurwoning (nog) niet uit na brandstichting

Een huurder is psychisch in de war. Hij maakt zich schuldig aan brandstichting. Hij zegt vervolgens zijn huurovereenkomst op. Een maand later wil hij dat terugdraaien, aangezien hij toentertijd in de war was. De verhuurder vordert bij de kantonrechter toch ontruiming. Deze vordering wordt afgewezen:

3.5 De primaire grondslag van Vieya is gebaseerd op het standpunt dat [gedaagde] op 4 oktober 2011 de huurovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd, waardoor hij gehouden is de woning te ontruimen. De kantonrechter is dienaangaande van oordeel dat de instemming van een huurder met beëindiging van zijn huurovereenkomst -gezien de gevolgen die instemming met vrijwillige beëindiging van de huurovereenkomst kan hebben- slechts mag worden aangenomen op grond van verklaringen en/of gedragingen van de huurder waaruit deze instemming duidelijk en ondubbelzinnig blijkt. Daarnaast dient de verhuurder zich met redelijke zorgvuldigheid ervan te vergewissen of de huurder vrijwillig instemt met beëindiging van de huurovereenkomst tussen partijen. Op Vieya rust terzake een verzwaarde onderzoeksplicht, nu [gedaagde], zo is de kantonrechter gebleken, de Nederlandse taal niet goed begrijpt. Het is de kantonrechter binnen het kader van deze kort geding procedure, die zich niet leent voor bewijslevering, niet gebleken dat [gedaagde] op 4 oktober 2011 bij het ondertekenen van het opzeggingsformulier (volledig) de gevolgen van zijn handelen begreep. Hetzelfde geldt voor de vraag of Vieya aan haar verzwaarde onderzoeksplicht heeft voldaan. Daarbij neemt de kantonrechter tevens in aanmerking dat, waar [gedaagde] de schijn heeft gewekt dat hij zich neerlegt bij beëindiging van de huurovereenkomst door niet te reageren op de hierboven (in rechtsoverweging 3.1 sub g. en i.) vermelde brieven van Vieya van 4 oktober en 20 oktober 2011, dit niet voldoende is voor het aannemen van een duidelijke en ondubbelzinnige instemming. Verder kan het feit dat Vieya de woning op 3 november 2011 aan een andere huurder heeft toegewezen [gedaagde] niet worden tegengeworpen.

3.6 Met betrekking tot de subsidiaire grondslag geldt het volgende. De kantonrechter beschouwt ontruiming als een laatste middel. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is het echter allerminst zeker dat een bodemrechter in deze zaak zal oordelen dat dit punt in onderhavig geval reeds is bereikt. Daartoe is van belang dat [gedaagde] ter zitting heeft erkend dat er (brand)gevaarlijke incidenten hebben plaatsgevonden in zijn woning, maar dat hij om herhaling te voorkomen vanaf het laatste incident geen gebruik meer maakt van zijn gasfornuis. Bovendien heeft [gedaagde] ter zitting nadrukkelijk verklaard geen alcohol meer te nuttigen in verband met de medicijnen die hij gebruikt vanwege zijn suikerziekte. De verandering in zijn gedrag heeft er kennelijk toe geleid dat na 2 oktober 2011 geen incidenten meer hebben plaatsgevonden, zoals Vieya desgevraagd heeft bevestigd. [gedaagde] lijkt zich bewust geworden te zijn van het feit dat hij ervoor dient te zorgen dat de (brand)gevaarlijke incidenten tot het verleden behoren. Immers -zoals ter zitting is gebleken- is hij in dat verband zelfs bereid gebleken om in zijn woning uitsluitend niet opgewarmd voedsel te eten. Op grond van voornoemde omstandigheden is de kantonrechter er vooralsnog onvoldoende van overtuigd dat de huidige situatie zo acuut gevaarlijk is voor de overige bewoners van het complex dat de subsidiaire grondslag voor ontruiming in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen zal hebben, dat vooruitlopen daarop reeds nu gerechtvaardigd is.

3.7 Daarbij wenst de kantonrechter overigens nog wel te benadrukken dat er sprake is geweest van ernstige incidenten die een serieus gevaar voor de medebewoners van [gedaagde] hadden kunnen opleveren. Wat dat betreft kan [gedaagde] zich naar het oordeel van de kantonrechter geen nieuwe misstap veroorloven, omdat dit in dat geval hoogstwaarschijnlijk wel tot ontruiming zal leiden.

Zie LJN: BU9934.

Hennepplantage en brand in bedrijfswoning: huurovereenkomst ontbonden

In een bedrijfswoning vindt een brand plaats. In de woning blijkt een hennepplantage te zitten. Door de brand ontstaat grote schade. De verhuurder vordert dat de huurovereenkomst ontbonden wordt. De rechtbank wijst die vordering toe:

32.  Vraag is, wie van partijen de schade die de ander door de brand geleden heeft, aan die ander dient te vergoeden. Bij de beantwoording van die vraag is niet relevant, of een van de brandverzekeraars of allebei alsnog tot vergoeding van de schades zullen overgaan, aangezien zij in dat geval krachtens artikel 7:962 BW gesubrogeerd zal respectievelijk zullen worden in de rechten van de betrokken partij(en) en dus verhaal zullen zoeken op de weder- partij.
33.  Op grond van artikel 7:204 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de verhuurder met betrekking tot gebreken van de zaak de in afdeling 2 van titel 4 van Boek 7 BW omschreven verplichtingen. Volgens artikel 7:204 lid 2 BW is een gebrek een staat of eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft
34.  Ingevolge artikel 7:213 van het Burgerlijk Wetboek is een huurder verplicht zich ten aanzien van het gebruik van de gehuurde zaak als een goed huurder te gedragen. Die verplichting van [gedaagde 2] als huurder jegens [eiser] als verhuurder is met name geconcretiseerd in de hiervoor onder 1.4 en 1.5 geciteerde bepalingen van het huurcontract en de toepasselijke algemene bepalingen.
35.  Uit wat door [gedaagde 1] persoonlijk verklaard is in interviews die hem op 12 augustus 2010 en 9 september 2010 zijn afgenomen in het kader van het onderzoek van CED Forensic is gebleken dat alle vier de studio’s en het appartement van het gehuurde ten tijde van de brand onderverhuurd waren aan huurders die via ander huurders huurder bij [gedaagde 1] geworden waren en die – op een huurder na – de huur cash betaalden. Huurder van het appartement was een zekere [naam onderhuurder] die in mei 2010 aan hem gevraagd had of hij een airco mocht plaatsen in het appartement. Dat had [gedaagde 1] goed gevonden tegen een extra betaling voor de energie van € 20,– per maand. Daarna had [naam onderhuurder] een probleem gekregen met de stroomvoorziening. Met instemming van [gedaagde 1] had hij toen iemand erbij gehaald had, die er verstand van had. Die persoon had toen de stroom “eraf gehaald” en was met [naam onderhuurder] ongeveer een kwartier tot een half uur bezig geweest in de elektriciteitskast. [gedaagde 1] die naar eigen zeggen geen verstand van elektra heeft, weet niet wat zij in de kast hebben gedaan en heeft daar ook niet naar gekeken. Hij heeft [naam onderhuurder] voor het laatst gezien op of omstreeks 1 juli 2010. [gedaagde 1] kwam zelf nooit boven in de verhuurde ruimtes.
36.  Gezien deze verklaring heeft [gedaagde 1] als bestuurder van [gedaagde 2] op geen enkele wijze zich ervan vergewist aan wat voor personen de studio’s en het appartement door [gedaagde 2] onderverhuurd werden noch enig toezicht uitgeoefend op de wijze waarop zij hun verplichtingen als huurders nakwamen. Voorts is hieruit gebleken dat hij naar eigen zeggen ermee heeft ingestemd dat de huurder van het appartement samen met een hem onbekend persoon in de meterkast van het restaurant bezig is geweest, toen kennelijk de “illegale” aftakking van de stroomvoorziening is gemaakt ten behoeve van de hennepkwekerij ten gevolge waarvan de brand in het gehuurde op 9/10 augustus 2010 is ontstaan.
37.  Hierdoor heeft [gedaagde 2] in strijd met voormelde bepalingen van het huurcontract en de toepasselijke algemene bepalingen gehandeld en ook aldus zich niet als een goed huurster gedragen. Deze tekortkomingen van [gedaagde 2] rechtvaardigen ontbinding van de huurovereenkomst, zoals [eiser] heeft gevorderd en toewijzing van de door hem gevorderde ontruiming en schadevergoeding een en ander op de wijze als hierna is aangegeven. Dit betekent tevens dat de vordering van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] in reconventie moet worden afgewezen.

Zie LJN: BT8901.