Burgemeester verleent terecht overlastvergunning voor coffeeshop

De burgemeester van Helmond verleent een overlastvergunning aan een exploitant ten behoeve van het exploiteren van een coffeeshop. De gemeenteraad heeft in een Overlastverordening verboden om zonder deze overlastvergunning een horecabedrijf of growshops te exploiteren. Eisers maken bezwaar tegen dit besluit en stellen beroep in tegen het verlenen van de overlastvergunning.

De rechtbank overweegt:

19. Eisers sub 1 hebben aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen omdat daarin enkel is verwezen naar de strafrechtelijke gedoogcriteria (AHOJG plus) ten aanzien van coffeeshops.
Verweerders reactie dat deze grond niet in de zienswijze naar voren is gebracht en thans niet meer in beroep naar voren kan worden gebracht, verwerpt de rechtbank omdat de grond een nadere uitwerking vormt van het door eisers al eerder aangevoerde standpunt dat het besluit onzorgvuldig is genomen. Inhoudelijk oordelend vermag de rechtbank niet in te zien waarom verweerder niet kon volstaan met een verwijzing naar de, gepubliceerde en daarmee kenbare, strafrechtelijke gedoogcriteria, die voor vergunninghouder hoe dan ook gelden en bovendien grotendeels zijn opgenomen in de vergunningsvoorwaarden bij het bestreden besluit.

20. De rechtbank deelt niet het standpunt dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, omdat de Overlastverordening in strijd is met de Opiumwet. Weliswaar is de verkoop van softdrugs ingevolge de Opiumwet verboden, maar dit staat er niet aan in de weg dat op grond van de Overlastverordening onder bepaalde voorwaarden een exploitatievergunning aan een horecabedrijf kan worden verleend waarbij de verkoop van softdrugs wordt gedoogd.

21. Gelet op artikel 6, tweede lid, onder b, van de Overlastverordening kan de burgemeester de vergunning weigeren indien de aanwezigheid van de inrichting leidt tot een ontoelaatbare verstoring van het woon- en leefklimaat. Het betreft hier derhalve een bevoegdheid van verweerder die door de rechtbank terughoudend dient te worden getoetst.

22. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder niet alle bij het besluit betrokken belangen heeft onderkend en meegewogen. De stelling van eisers sub 1 dat verweerder geen locatieonderzoek heeft verricht, is feitelijk onjuist. Uit de eindrapportage “Locatieonderzoek coffeeshop” van 10 september 2008 waarin het pand aan de [adres X] als geschikte locatie is aangewezen blijkt dat wel degelijk onderzoek is verricht. Voorts biedt het dossier geen aanknopingspunten voor de conclusie dat verweerder niet bekend was met het aantal bewoners in de directe omgeving van de coffeeshop, de verdere omgevingsfactoren en de impact van een eventuele vestiging van een coffeeshop. Bij afweging van de te onderscheiden belangen heeft verweerder bij het toelaten van een tweede coffeeshop op de [adres X] evenwel meer waarde gehecht aan het algemene belang dat gelegen is in het beperken van illegale verkooppunten en de daarmee gepaard gaande drugsgerelateerde overlast dan aan de belangen van eisers. De rechtbank acht hierbij van belang dat verweerder in de Beleidsregel dit pand op basis van zowel wettelijke criteria als criteria die beogen de nadelen van een coffeeshop te ondervangen alsmede op grond van locatieonderzoek, heeft aangewezen als een geschikte locatie voor het vestigen van een coffeeshop. Dat, zoals eiser sub 1 heeft aangevoerd door de komst van de coffeeshop vele vaste gasten zijn cafetaria niet meer zullen bezoeken en hij genoodzaakt is daarop de bedrijfsvoering aan te passen, is niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. Dat de sluitingstijd van de coffeeshop op 22.30 uur had moeten worden bepaald ter voorkoming van vermenging van het uitgaanspubliek met bezoekers van de coffeeshop, acht de rechtbank door eiser subsidiair 1 niet aannemelijk gemaakt.

23. Ter zitting hebben eisers sub 1 nog aangevoerd dat het Bibob-onderzoek niet volledig en onzorgvuldig is uitgevoerd door dit onderzoek enkel te beperken tot de vergunninghouder. De rechtbank heeft kennis genomen van de Bibob-stukken en is van oordeel dat verweerder op grond van de feiten en omstandigheden zoals die op het moment van het onderzoek bekend waren, geen aanleiding behoefde te zien nader onderzoek te verrichten naar andere personen.

24. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op het moment van vergunningverlening tot de conclusie kon komen dat de aanwezigheid van een coffeeshop niet leidt tot een ontoelaatbare verstoring van het woon- en leefklimaat, zodat de overlastvergunning ten behoeve van de coffeeshop aan de [adres X] in redelijkheid kon worden verleend.

25. De door eisers sub 1 overgelegde krantenartikelen waaruit deze de conclusie hebben getrokken dat de coffeeshop tot een ontoelaatbare verstoring van het woon- en leefklimaat heeft geleid, kunnen bij de beoordeling geen rol spelen nu deze van latere datum zijn dan het bestreden besluit van 27 april 2010. Het toetsingskader van de rechtbank is immers beperkt tot de beantwoording van de vraag of verweerder op 27 april 2010 in redelijkheid het bestreden besluit heeft kunnen nemen. Deze vraag heeft de rechtbank hiervoor bevestigend beantwoord.

De burgemeester mocht dus de overlastvergunning verlenen.

Zie LJN:BR2168.

Exploitatievergunning coffeeshop ingetrokken na vondst drugs in woning exploitant

In de woning van een exploitant van een coffeeshop worden drugs gevonden:

Op 17 februari 2010 is door de Belastingdienst/Douane Nederland op het terrein van het Foodcentrum, gelegen aan de Jan van Galenstraat in Amsterdam, de auto van [leidinggevende] gecontroleerd. Er werden een onder meer een groot slagersmes, 1465 gram hennep en 34,2 gram hasj aangetroffen. Hierop heeft de politie op 17 februari 2010 een vervolgonderzoek ingesteld in de woning van [leidinggevende] en de woning van eiseres en de coffeeshop “De Oude Kerk” doorzocht. De bevindingen hiervan zijn neergelegd in meerdere processen-verbaal. Hieruit blijkt onder meer dat bij de doorzoekingen in de het pand waar de coffeeshop “De Oude Kerk” is gevestigd 0,433 kilogram hasj en 1,3869 kilogram hennep en in de woning van eiseres 28,986 kilogram hennep, 1,0219 kilogram hasj en een geldbedrag van € 455.627,86 in contanten zijn aangetroffen.

Na de vondst van de drugs heeft de burgemeester de exploitatievergunning van één coffeeshop geweigerd en van een andere coffeeshop ingetrokken. Ook zijn de coffeeshops van de gedooglijst geschrapt.

De Rechtbank Amsterdam overweegt:

3.5  Niet in geschil is dat in het perceel Oudezijds Voorburgwal 47, op de begane grond, direct gelegen naast de coffeeshop, en in de woning van eiseres een grote hoeveelheid softdrugs is aangetroffen en dat voorts in de woning van eiseres een grote hoeveelheid contant geld is aangetroffen. Daarnaast is eiseres door de politierechter bij vonnis van 27 augustus 2010 veroordeeld tot een taakstraf van 200 uur voor het in vereniging aanwezig hebben van 33,10 kilo hennep 1,48 kilo hasj en het voorhanden hebben van een boksbeugelmes. Eiseres heeft haar taakstraf inmiddels (gedeeltelijk) voltooid.

3.6  De vondst van een zeer aanzienlijke hoeveelheid softdrugs in de woning van eiseres, waarvoor zij ook is veroordeeld, en de vondst van een groot geldbedrag in contanten, waarover eiseres, zoals ter zitting ook is bevestigd, geen belasting heeft afgedragen, getuigen naar het oordeel van de rechtbank van laakbaar handelen, waarbij de geconstateerde feiten en gedragingen van een zodanig gewicht zijn dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet langer niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is in de zin van de APV.

3.7  Voorts heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres tekort is geschoten in de wijze van bedrijfsvoering. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres een grote voorraad softdrugs thuis heeft aangehouden voor de bevoorrading van de coffeeshops. Daar komt bij dat in het pand waar de coffeeshop “De Oude Kerk” is gevestigd, meer dan de toegestane voorraad van 500 gram softdrugs als bepaald in de Richtlijnen voor het opsporings- en strafvorderingsbeleid inzake strafbare feiten van de procureurs-generaal, is aangetroffen. Ook is in de auto van de leidinggevende [leidinggevende] een grote hoeveelheid softdrugs aangetroffen die bedoeld was voor de coffeeshops. De zogenoemde achterdeurproblematiek maakt deze schending van de Opiumwet niet minder ernstig, zoals ook door eiseres ter zitting is erkend.

3.8  Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat als gevolg van het levensgedrag van eiseres en de tekortkomingen in de wijze van bedrijfsvoering van eiseres de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde of veiligheid nadelig wordt/(kan) worden beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. Bij een exploitatievergunning is de persoon van de vergunninghouder van belang om te waarborgen dat de exploitatie zodanig geschiedt dat daardoor de openbare orde of de woon- en leefsituatie niet op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed. Daarnaast is voor de toepassing van artikelen 3.11 en 3.24 van de APV niet vereist dat zich daadwerkelijk concrete problemen met betrekking tot de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde of veiligheid door de aanwezigheid van de coffeeshops hebben voorgedaan. Deze artikelen zien ook op de situatie waarin, rekeninghoudende met de omstandigheden genoemd in artikel 3.11 en 3.24 van de APV, sprake is van een verhoogd risico dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde of veiligheid nadelig zal/zullen worden beïnvloed.

De vergunningen van de coffeeshop mocht dus worden geweigerd/ingetrokken.

Zie LJN: BR2594

Afdeling: intrekking gedoogbeslissing coffeeshop geen besluit Awb

De burgemeester van Spijkenisse trekt de gedoogbeslissing, zoals vermeld in de exploitatievergunning van een coffeeshop, per direct in. De rechtbank stelt dat de intrekking van de gedoogbeslissing als besluit geldt en daarmee ook bezwaar tegen de intrekking kan worden gemaakt:

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat de passage onlosmakelijk deel uitmaakt van de exploitatievergunning, nu die vergunning voor de exploitatie van een coffeeshop is bedoeld en de exploitatievergunning zonder de passage geen doel zou hebben. De passage heeft mede betrekking op de invulling en uitoefening van de bevoegdheden die de burgemeester in het kader van de Opiumwet heeft. Naleving van [wederpartijen] van de gedoogvoorschriften is dan ook essentieel voor de bedrijfsvoering van [inrichting] en daarmee gelijkwaardig aan de overige voorschriften die aan de exploitatievergunning verbonden zijn, aldus de rechtbank.

De burgemeester gaat in hoger beroep:

De burgemeester betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat voor de exploitatie van een coffeeshop geen vergunning verleend mag worden. Het voorhanden hebben en de verkoop van softdrugs is verboden bij de Opiumwet en het krachtens de Algemene plaatselijke verordening verlenen van een vergunning voor gedragingen die bij hogere regeling zijn verboden zou, mede gelet op artikel 122 van de Gemeentewet, een toereikende grondslag ontberen. Voorts is vergunning verleend voor de exploitatie van een horeca-inrichting en niet voor die van een coffeeshop. De betrokken passage maakt geen deel uit van de exploitatievergunning. De exploitatievergunning en de gedoogverklaring staan los van elkaar en kunnen dat, zonder dat de exploitatievergunning werking mist, aldus de burgemeester.

De Afdeling is het eens met de burgemeester dat de intrekking van de gedoogbeslissing geen besluit is:

De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat deze passage mede betrekking heeft op de uitoefening van de bevoegdheden die de burgemeester in het kader van de Opiumwet heeft. De passage houdt uitsluitend mededelingen van informatieve aard in die niet op enig rechtsgevolg zijn gericht. Dit geldt ook, voor zover in de passage openingstijden zijn vastgesteld, omdat die mededeling geen gevolgen heeft voor de in de exploitatievergunning geregelde openingstijden voor de horeca-inrichting. De passage vormt aldus geen onlosmakelijk deel van de exploitatievergunning. De brief van 26 mei 2009 is evenmin op enig rechtsgevolg gericht en bevat derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dat betekent dat de burgemeester de brief van 26 mei 2009 terecht niet heeft aangemerkt als inhoudend een besluit en het door [wederpartijen] gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

De intrekking van de gedoogbeslissing is geen besluit.

Zie LJN:BQ9648

Raad van State haalt streep door verbod buitenlanders in coffeeshops: einde wietpas?

Nieuwe ontwikkelingen rond de wietpas en het verbod om buitenlanders te weren in coffeeshops. De Raad van State heeft het verbod voor coffeeshophouders om andere personen dan ingezetenen in de coffeeshop toe te laten of daarin of aldaar te laten verblijven als onverbindend aangemerkt. Dit verbod was opgenomen in de APV van Maastricht. De Raad van State geeft daarvoor de volgende reden:

In artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet is de verkoop van softdrugs als zodanig verboden. Gelet op dit absolute verbod in een wet in formele zin bestaat geen ruimte voor nadere regulering van de verkoop van softdrugs in een gemeentelijke autonome verordening. De Afdeling is dan ook van oordeel dat het in artikel 2.3.1.3e, eerste lid, van de APV neergelegde ingezetenencriterium, bezien in samenhang met het op grond van het tweede lid van die bepaling genomen besluit van de burgemeester van 13 juli 2006 verbindende kracht ontbeert. Daarom kan in het midden blijven of, als deze strijdigheid met artikel 3 van de Opiumwet niet aan de orde zou zijn, de bevoegdheidstoedeling aan de burgemeester in het tweede lid van artikel 2.3.1.3e van de APV onverbindend zou zijn gelet op artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet, dat bepaalt dat de raad aan het college van burgemeester en wethouders, een door hem ingestelde bestuurscommissie en een deelraad bevoegdheden kan overdragen. Het oordeel, dat de Opiumwet deze gemeentelijke autonome regeling niet toelaat, laat onverlet de mogelijkheden van de burgemeester om in medebewind de Opiumwet te handhaven op grond van artikel 13b daarvan. Ten slotte laat het oordeel dat artikel 3 van de Opiumwet in de weg staat aan regulering van de verkoop van softdrugs bij gemeentelijke autonome verordening en daarop gebaseerde besluitvorming, een bevoegdheid om aan een inrichting waarin onder meer softdrugs worden verkocht een exploitatievergunning te verlenen onverlet, zolang deze niet wordt verleend voor de verkoop van softdrugs. De Afdeling wijst in dit verband op haar uitspraak van 12 augustus 1999 in zaak nr. H01.99.0260 (Gemeentestem 7111, nr. 4) gelezen in samenhang met haar uitspraak van 8 oktober 1999 in zaak nr. H01.99.0148 (aangehecht).

Kort gezegd: omdat de Opiumwet de verkoop van drugs reguleert, mag de gemeenteraad niet extra regulerend optreden.

De Afdeling acht het verbod (en m.i. daarmee ook de invoering van de wietpas ) wel verenigbaar met art. 1 van de Grondwet. Over die verenigbaarheid werd elders over getwijfeld. De Afdeling:

Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat, de omstandigheid dat tegen de verkoop van softdrugs in coffeeshops onder strikte voorwaarden, namelijk uitsluitend indien wordt voldaan aan de AHOJ-G-criteria, bestuurs- noch strafrechtelijk wordt opgetreden, niet betekent dat de verkoop van softdrugs daarmee – in de woorden van de rechtbank – de facto legaal is. Op grond van artikel 3 van de Opiumwet is de verkoop van softdrugs verboden. Zoals uit de Aanwijzing Opiumwet, een beleidsregel van het Openbaar Ministerie, volgt, voorziet het coffeeshopbeleid in vergaande regulering waarbij onder strikte voorwaarden de verkoop van softdrugs in coffeeshops wordt gedoogd. In de Aanwijzing Opiumwet is verder vermeld dat bij de beoordeling van de vraag of tegen een coffeeshop – een bij de wet verboden situatie – strafrechtelijk opgetreden dient te worden, de in de Aanwijzing Opiumwet opgenomen AHOJ-G-criteria gelden. Hiermee wordt het verbod tot verkoop van softdrugs rechtens niet teniet gedaan. De burgemeester heeft zijn betoog in zoverre terecht voorgedragen.

2.10.3. Dat de verkoop van softdrugs ingevolge artikel 3 van de Opiumwet verboden is, betekent evenwel, anders dan de burgemeester voorstaat, niet dat artikel 1 van de Grondwet in dit geval toepassing mist. Niet-ingezetenen worden, anders dan ingezetenen, belemmerd om deels legale producten, zoals niet-alcoholhoudende dranken en eetwaren, en deels illegale maar binnen de voorwaarden van het coffeeshopbeleid gedoogde producten te kopen en te gebruiken. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft getoetst of het ingezetenencriterium in strijd is met artikel 1 van de Grondwet. Het betoog dat artikel 1 van de Grondwet toepassing mist, omdat niet-ingezetenen zijn onderworpen aan een andere rechtsorde dan ingezetenen faalt reeds omdat het in artikel 1 van de Grondwet neergelegde gelijkheidsbeginsel blijkens de tekst van die bepaling geldt voor allen die zich in Nederland bevinden. Verder betoogt de burgemeester dat het ingezetenencriterium niet is gericht aan de niet-ingezetene, maar aan de houder van de inrichting. Het feit dat de adressaat van de bepaling een ander dan de niet-ingezetene is, neemt niet weg dat de regeling met zich brengt dat de houder van de inrichting een gedragslijn wordt opgelegd om, wat betreft de gebruikers van de coffeeshop, een onderscheid te maken tussen ingezetenen en niet-ingezetenen, waarbij alleen ingezetenen gebruik kunnen maken van de gedoogde producten en diensten. Daarom staat het betoog er niet aan in de weg dat in het kader van het beroep gericht tegen het bij de rechtbank bestreden besluit toetsing van de besluitvorming waarop het bestreden besluit is gebaseerd aan hogere, de rechter bindende rechtsnormen, plaats dient te vinden en dat in dat kader de verenigbaarheid van het ingezetenencriterium met artikel 1 van de Grondwet wordt getoetst.

2.10.4. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat met het ingezetenencriterium een indirect onderscheid naar nationaliteit wordt gemaakt en dat het maken van dat onderscheid in strijd is met artikel 1 van de Grondwet, indien daarvoor geen objectieve en redelijke gronden bestaan. De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat met het ingezetenencriterium een gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd, namelijk het tegengaan van het toenemend coffeeshoptoerisme en de daarmee gepaard gaande negatieve effecten op de openbare orde. Dat doel volgt ook uit het aan artikel 2.3.1.3e, eerste lid, van de APV ten grondslag liggende raadsvoorstel. De Afdeling oordeelt over dat betoog als volgt.

2.10.5. Zoals blijkt uit punt 63 van het arrest van het Hof heeft de burgemeester zich in de procedure voor het Hof op het standpunt gesteld dat de coffeeshops in Maastricht per jaar iets meer dan 3,9 miljoen bezoekers trekken en dat het merendeel van die bezoekers afkomstig is uit de buurlanden. Ter zitting van de Afdeling van 5 april 2011 heeft de burgemeester gespecificeerd – en dit is door Josemans niet betwist – dat het om 3,9 miljoen bezoeken (en niet bezoekers) gaat. De burgemeester heeft daaraan toegevoegd dat de coffeeshops een aanzuigende werking hebben en dat door deze grote toestroom van niet-ingezetenen de openbare orde onder druk staat. Zo bestaan er verkeers- en parkeerproblemen, ondervinden bewoners overlast wegens lawaai en hinder die worden veroorzaakt door de samenkomst van cannabisgebruikers die in het openbaar drugs gebruiken en ondervinden zij overlast van netwerken uit de georganiseerde criminaliteit in de buurt van de coffeeshops en van dealers en drugsverslaafden.

2.10.6. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de burgemeester aannemelijk gemaakt dat de openbare orde in de gemeente Maastricht door de toenemende stroom niet-ingezetenen wordt aangetast en dat die aantasting met het in de APV en het besluit van de burgemeester van 13 juli 2006 neergelegde ingezetenencriterium kan worden tegengegaan. De burgemeester heeft verder aannemelijk gemaakt dat met minder verstrekkende maatregelen de openbare orde in de gemeente onvoldoende wordt gewaarborgd.

De Afdeling komt gelet op het voorgaande, anders dan de rechtbank, tot de conclusie dat voor het met het ingezetenencriterium gemaakte indirecte onderscheid naar nationaliteit objectieve en redelijke gronden bestaan en dat het in artikel 2.3.1.3e, eerste lid, van de APV in samenhang met het besluit van de burgemeester van 13 juli 2006 opgenomen ingezetenencriterium niet in strijd is met artikel 1 van de Grondwet.

Wat deze uitspraak precies voor de invoering van de wietpas betekent, moet nog blijken. PvdA-Kamerlid Bouwmeester (fervent tegenstander van de wietpas) twittert in ieder geval:

“Uitspraak Raad van Statehttp://t.co/w36eT6R# wietpas mag niet verplicht worden opgelegd. Einde speeltje Opstelten, nu doen wat werkt”

Die constatering lijkt mij wat voorbarig, zeker nu de Afdeling over het principiële punt omtrent art. 1 GW heenstapt. Wellicht is aanpassing van de Opiumwet wel noodzakelijk om de wietpas in te voeren of kan de burgemeester met behulp van art. 13b Opiumwet de invoering van de wietpas afdwingen.

Zie LJN: BQ9684

Overlast rond coffeeshops leidt tot kamervragen

De PvdA fractie heeft kamervragen gesteld over overlast rondom coffeeshops en de invoering van de wietpas:

Vragen van het lid Bouwmeester (van de PvdA) aan de minister van Veiligheid en Justitie over drugstoerisme in Breda (ingezonden 21 april 2011). Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 1 juni 2011) Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 2488.

Vraag 1

Kent u het bericht «Drugstoerisme in Breda neemt verder toe»?1

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2, 4

Klopt het dat het aantal bezoekers dat coffeeshops bezoekt in Breda met bijna de helft is gestegen? Zo nee, wat zijn dan wel de exacte cijfers? Zo ja, klopt het dat de stijging met name Belgische en Franse drugstoeristen betreft? Hoe verhoudt dit zich tot uw eerdere berichtgeving waarin u dit ontkent? Deelt u de mening dat uit deze cijfers blijkt dat het sluiten van de coffeeshops in Bergen op Zoom en Roosendaal toch heeft geleid tot een verplaatsing van de verkoop? Zo nee, waar komt deze stijging van bezoekers dan vandaan?

Antwoord 2, 4

De gemeente Breda heeft het aantal bezoekers aan de gedoogde coffeeshops in Breda door een onderzoeksbureau laten tellen in de periode van september 2009 tot en met september 2010. Daarbij werd mede gekeken naar de herkomst. Aan het eind van de tellingen in september 2010 was het totale aantal bezoekers gestegen met 50% ten opzichte van de eerste telling in 2009. De betrokken onderzoekers concluderen in hun eindrapportage dat er na de sluiting van de coffeeshops in Roosendaal en Bergen op Zoom sprake is van een toename van bezoekers aan de Bredase coffeeshops. Naast een toename van de «drugstoeristen» afkomstig uit België, Frankrijk en West-Brabant, is er ook een toename vanuit Breda zelf. De onderzoekers merken op dat de toename derhalve niet alleen is toe te schrijven aan de beëindiging van het gedoogbeleid in Roosendaal en Bergen op Zoom.

Vraag 3

Klopt het dat de stijging van het aantal coffeeshopbezoekers niet heeft geleid tot overlast? Hoe kwalificeert u de toename van het aantal coffeeshopbezoekers zonder een toename van overlast?

Antwoord 3

De gemeente Breda heeft mij gemeld dat in het onderzoek de drugsgerelateerde meldingen uit de registratie van de politie in de analyse betrokken zijn. Daarbij is bij direct omwonenden en bedrijven van zeven van de acht Bredase gedoogde coffeeshops een vragenlijst afgenomen met vragen over de beleving in termen van overlast als gevolg van de aanwezigheid van een coffeeshop in de buurt. Deze vragenlijst is bij de nulmeting afgenomen en na 6 maanden nogmaals. De onderzoekers concludeerden in de eindrapportage van oktober 2010 dat op basis van de politieregistratie niet kan worden geconstateerd dat, ondanks de geconstateerde toename van het aantal bezoekers, sprake is van een toename van het aantal meldingen/incidenten als gevolg van de sluiting van de shops in Roosendaal en Bergen op Zoom.Ook uit de beleving van de omwonenden/bedrijven leiden de onderzoekers niet af dat er sprake is van een toename van overlast.

Vraag 5, 6

Bent u bekend met de toename van de handel in drugs bij tankstations in Roosendaal en omstreken, en de klachten die omwonenden hebben? Zo ja, wat is de reden dat er meer illegaal gehandeld wordt bij tankstations? Wat gaat u daar aan doen? Zo nee, bent u bereid u hierover te laten informeren door de burgemeester van Roosendaal? Hoe helpt de wietpas tegen de verschuiving van de coffeeshopverkoop aan buitenlanders naar tankstations in de grensstreek?

Antwoord 5, 6

De gemeente Roosendaal heeft mij gemeld dat er bij hun meldpunt Drugsoverlast Courage geen meldingen binnen gekomen zijn met betrekking tot overlast bij de tankstations in Roosendaal en Bergen op Zoom. Illegale verkooppunten worden krachtig aangepakt door het lokaal bestuur, het Openbaar Ministerie en de politie. Alleen in coffeeshops wordt de verkoop van cannabis gedoogd. Coffeeshops worden besloten clubs die alleen voor meerderjarige inwoners van Nederland toegankelijk zijn op vertoon van een clubpas. Voor het toepassen van het ingezetenencriterium wordt de uitkomst van de rechtszaak bij de Raad van State tussen de gemeente Maastricht en een coffeeshophouder afgewacht. De verwachting is dat de Raad van State uiterlijk begin juli 2011 uitspraak zal doen. Deze uitspraak zal worden afgewacht om er zeker van te zijn dat tot implementatie van deze maatregel kan worden overgegaan.

Vraag 7

Deelt u de mening dat deze cijfers uitwijzen dat drugstoeristen op zoek gaan naar wiet ondanks het sluiten van coffeeshops, coffeeshop-vrij maken van gemeentes, of het invoeren van een wietpas? Zo nee, waar duiden deze cijfers dan op?

Antwoord 7

Ik deel die mening niet. Het voornaamste effect van de invoering van het ingezetenencriterium zal zijn dat de drugstoeristen niet meer naar ons land zullen komen voor hun cannabis. Veel drugstoeristen blijken immers juist te komen omdat ze in de coffeeshops rustig en veilig cannabis kunnen consumeren2. In eigen land kunnen ze ook gebruik maken van al bestaande illegale markten.

Zie hier.