Handel in drugs en erectiepillen leidt niet tot verlies van woning

Een man huurt een woning in een 55+-flat. Hij wordt betrapt bij het verhandelen van drugs en erectiepillen:

Naar aanleiding van een MMA- melding (Melding Misdaad Anoniem) heeft de politie Rotterdam-Rijnmond op 6 augustus 2009 een onderzoek gestart naar de vermeende handel in verdovende middelen door [gedaagde]. In het kader van dat onderzoek is onder meer gebleken dat de heer [B] op 14 augustus 2009 verdovende middelen bij [gedaagde] heeft gekocht en dat in de woning van [gedaagde] een partij verdovende middelen en Kamagra erectiepillen zijn aangetroffen.

De verhuurder vordert de ontbinding van de huurovereenkomst. De buren komen voor de huurder op en starten een handtekeningenactie:

Een aantal omwonenden van [gedaagde], onder meer wonend op de [locaties] hebben een schriftelijke verklaring ondertekend met de volgende inhoud:
“Mijne Heren
Als buren van [gedaagde] willen wij een pleidooi houden voor hem. Laat u deze man svp in zijn huis blijven wonen als hij vrij komt. Deze handtekeningen zijn door mensen in zijn naaste omgeving ondertekend”.

De kantonrechter stelt eerst in het algemeen de vraag of hier wel sprake is van een tekortkoming:

Partijen hebben in hun debat amper aandacht besteed aan de vraag of de gedragingen van [gedaagde] überhaupt aangemerkt kunnen worden als een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen voortvloeiend uit de huurovereenkomst. Naar het oordeel van de kantonrechter kunnen daarbij de nodige vraagtekens geplaatst worden en in dit kader wordt ondermeer verwezen naar het overzichtsartikel van Z.H. Duijnstee-van Imhoff in Tijdschrift voor Huurrecht 2010, nr. 15 “Stafbare feiten en huur”. De kantonrechter acht daarbij van belang dat noch in de huurovereenkomst, noch in de toepasselijke algemene voorwaarden een specifieke bepaling is opgenomen omtrent het handelen in strijd met de Opiumwet en [eiseres] de tekortkoming van [gedaagde] enkel baseert op handelen in strijd met goed huurderschap. Niet zonder meer kan worden gezegd dat [gedaagde] in dit geval in strijd heeft gehandeld met zijn verplichting ex artikel 7:213 BW om zich als goed huurder te gedragen. Daarbij is van belang dat [gedaagde] kennelijk “slechts” op beperkte schaal drugs heeft verkocht vanuit het gehuurde, dat niet gebleken is van overlast van omwonenden, dat [gedaagde] onverminderd zijn hoofdverblijf heeft gehad in het gehuurde en dat – zoals hierna nog verder gemotiveerd zal worden – de bestemming van het gehuurde niet is gewijzigd.
Nu het partijdebat zich nauwelijks heeft toegespitst op de vraag of überhaupt sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] zal de kantonrechter het antwoord op die vraag verder in het midden laten.

Vervolgens bekijkt de kantonrechter of de tekortkoming zo gering is dat hij ontbinding niet rechtvaardigt:

De kantonrechter is van oordeel dat die uitzonderingssituatie zich in dit geval voordoet en in dat verband wordt het volgende overwogen.

4.4. Allereerst is van belang dat de onderhavige huurovereenkomst is aangegaan in augustus 1997 en dat gesteld noch gebleken is dat zich voorafgaande aan augustus 2009 eerder problemen hebben voorgedaan op grond waarvan gezegd zou kunnen worden dat [gedaagde] zich niet als goed huurder heeft gedragen.

Voorts is van belang dat het politieonderzoek ziet op een betrekkelijk korte periode. Immers de politie is het onderzoek gestart op 6 augustus 2009 naar aanleiding van een MMA melding, terwijl [gedaagde] al op 14 augustus 2009 is aangehouden. Niet gebleken is of en zo ja welke activiteiten strijdig met de Opiumwet door [gedaagde] verricht zijn in de periode voorafgaande aan begin augustus 2009. Daarbij is ook van belang dat gesteld noch gebleken is dat door [eiseres] meldingen van omwonenden ontvangen zijn van overlast als gevolg van de handel in verdovende middelen. Integendeel, uit de door [gedaagde] overgelegde handtekeningenlijst blijkt nu juist dat de ondertekenaars van die lijst graag zouden willen zien dat [gedaagde] kan blijven wonen op het adres [locatie]. De stelling van [eiseres] dat aan die verklaring geen waarde gehecht kan worden, enerzijds omdat de omwonenden niet in de onmiddellijke omgeving van [gedaagde] wonen en anderzijds omdat de ondertekenaars niet bekend zijn met de handel en het gebruik van drugs in de woning, gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. Immers uit de huisnummers die de verschillende ondertekenaars vermeld hebben in de handtekeningenlijst kan worden afgeleid dat zij wel degelijk in de onmiddellijke omgeving van [gedaagde] wonen. [eiseres] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld, waaruit het tegendeel kan blijken. Voorts blijkt uit de hiervoor in rechtsoverweging 2.5. geciteerde tekst van de handtekeningenlijst dat de ondertekenaars wel degelijk op de hoogte zijn van het feit dat [gedaagde] op het moment van de ondertekening in voorlopige hechtenis zat.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan voorts met name op basis van de politieonderzoeken, die [eiseres] bij dagvaarding heeft overgelegd niet worden gezegd dat [gedaagde] de bestemming van het gehuurde heeft gewijzigd en vanuit de woning een bedrijf geëxploiteerd heeft. Zou bewezen zijn dat [gedaagde] op grote schaal (vanuit de woning) in verdovende middelen gehandeld heeft, dan zou ongetwijfeld door de strafrechter een zwaardere gevangenisstraf zijn opgelegd. Bovendien zou dan een groter deel van het in beslag genomen geld verbeurd verklaard zijn. Blijkens genoemd vonnis is “slechts”een bedrag van € 500,- verbeurd verklaard en is ten aanzien van het resterende in beslag genomen bedrag van € 4.830,- geoordeeld dat onvoldoende is komen vast te staan dat dit bedrag geheel of gedeeltelijk door middel van strafbare feiten is verkregen, zodat de rechtbank de teruggave van dat bedrag aan [gedaagde] heeft gelast.

Tevens komt betekenis toe aan de overtuiging van de strafrechter van de goede wil van [gedaagde] dat hij blijvend wil stoppen met de handel en het gebruik van verdovende middelen. Dat de strafrechter en ook de reclassering de nodige zorgen hebben geuit omtrent de toekomst vormt naar het oordeel van de kantonrechter geen grond voor de conclusie dat van [eiseres] niet gevergd kan worden dat zij de woning nog langer aan [gedaagde] ter beschikking stelt. Immers zo mocht blijken dat [gedaagde] opnieuw “in de fout gaat”, bestaat er zonder meer aanleiding voor ontbinding van de huurovereenkomst omdat hij dan langdurig gedetineerd zal zijn, aangezien hij dan niet alleen de 7 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf zal moeten uitzitten, maar tevens geconfronteerd wordt met een gevangenisstraf voor het nieuwe feit.

Niet in de laatste plaats zijn de persoonlijke omstandigheden van [gedaagde], zoals deze blijken uit de rapportage van de reclassering, van belang en de omstandigheid dat ook de strafrechter bij de straftoemeting rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat het voor de resocialisatie van [gedaagde] van belang is dat hij in het gehuurde kan blijven wonen.

De vordering wordt afgewezen.

Zie LJN: BR4369.

Exploitatievergunning coffeeshop ingetrokken na vondst drugs in woning exploitant

In de woning van een exploitant van een coffeeshop worden drugs gevonden:

Op 17 februari 2010 is door de Belastingdienst/Douane Nederland op het terrein van het Foodcentrum, gelegen aan de Jan van Galenstraat in Amsterdam, de auto van [leidinggevende] gecontroleerd. Er werden een onder meer een groot slagersmes, 1465 gram hennep en 34,2 gram hasj aangetroffen. Hierop heeft de politie op 17 februari 2010 een vervolgonderzoek ingesteld in de woning van [leidinggevende] en de woning van eiseres en de coffeeshop “De Oude Kerk” doorzocht. De bevindingen hiervan zijn neergelegd in meerdere processen-verbaal. Hieruit blijkt onder meer dat bij de doorzoekingen in de het pand waar de coffeeshop “De Oude Kerk” is gevestigd 0,433 kilogram hasj en 1,3869 kilogram hennep en in de woning van eiseres 28,986 kilogram hennep, 1,0219 kilogram hasj en een geldbedrag van € 455.627,86 in contanten zijn aangetroffen.

Na de vondst van de drugs heeft de burgemeester de exploitatievergunning van één coffeeshop geweigerd en van een andere coffeeshop ingetrokken. Ook zijn de coffeeshops van de gedooglijst geschrapt.

De Rechtbank Amsterdam overweegt:

3.5  Niet in geschil is dat in het perceel Oudezijds Voorburgwal 47, op de begane grond, direct gelegen naast de coffeeshop, en in de woning van eiseres een grote hoeveelheid softdrugs is aangetroffen en dat voorts in de woning van eiseres een grote hoeveelheid contant geld is aangetroffen. Daarnaast is eiseres door de politierechter bij vonnis van 27 augustus 2010 veroordeeld tot een taakstraf van 200 uur voor het in vereniging aanwezig hebben van 33,10 kilo hennep 1,48 kilo hasj en het voorhanden hebben van een boksbeugelmes. Eiseres heeft haar taakstraf inmiddels (gedeeltelijk) voltooid.

3.6  De vondst van een zeer aanzienlijke hoeveelheid softdrugs in de woning van eiseres, waarvoor zij ook is veroordeeld, en de vondst van een groot geldbedrag in contanten, waarover eiseres, zoals ter zitting ook is bevestigd, geen belasting heeft afgedragen, getuigen naar het oordeel van de rechtbank van laakbaar handelen, waarbij de geconstateerde feiten en gedragingen van een zodanig gewicht zijn dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet langer niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is in de zin van de APV.

3.7  Voorts heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiseres tekort is geschoten in de wijze van bedrijfsvoering. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres een grote voorraad softdrugs thuis heeft aangehouden voor de bevoorrading van de coffeeshops. Daar komt bij dat in het pand waar de coffeeshop “De Oude Kerk” is gevestigd, meer dan de toegestane voorraad van 500 gram softdrugs als bepaald in de Richtlijnen voor het opsporings- en strafvorderingsbeleid inzake strafbare feiten van de procureurs-generaal, is aangetroffen. Ook is in de auto van de leidinggevende [leidinggevende] een grote hoeveelheid softdrugs aangetroffen die bedoeld was voor de coffeeshops. De zogenoemde achterdeurproblematiek maakt deze schending van de Opiumwet niet minder ernstig, zoals ook door eiseres ter zitting is erkend.

3.8  Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat als gevolg van het levensgedrag van eiseres en de tekortkomingen in de wijze van bedrijfsvoering van eiseres de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde of veiligheid nadelig wordt/(kan) worden beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. Bij een exploitatievergunning is de persoon van de vergunninghouder van belang om te waarborgen dat de exploitatie zodanig geschiedt dat daardoor de openbare orde of de woon- en leefsituatie niet op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed. Daarnaast is voor de toepassing van artikelen 3.11 en 3.24 van de APV niet vereist dat zich daadwerkelijk concrete problemen met betrekking tot de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde of veiligheid door de aanwezigheid van de coffeeshops hebben voorgedaan. Deze artikelen zien ook op de situatie waarin, rekeninghoudende met de omstandigheden genoemd in artikel 3.11 en 3.24 van de APV, sprake is van een verhoogd risico dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde of veiligheid nadelig zal/zullen worden beïnvloed.

De vergunningen van de coffeeshop mocht dus worden geweigerd/ingetrokken.

Zie LJN: BR2594

Rechter schorst sluiting 13b Opiumwet van woning na drugshandel zoon

De burgemeester van Woerden sluit op grond van art. 13b Opiumwet een woning. In de woning is 137,7 kilogram hashish gevonden. De drugs zijn van één van zoons van het gezin. Het hele gezin verliest vanwege de drugshandel de woonruimte. Het gezin stapt naar de voorzieningenrechter.

Het gezin stelt ten onrechte dat de burgemeester zich niet baseren op één bron, namelijk de politie. De burgemeester mag zijn besluit op grond van 13b Opiumwet baseren op de politiegegevens.

Ten tweede stelt het gezin dat geen sprake is van drugshandel. De voorzieningenrechter overweegt:

De voorzieningenrechter stelt op grond van de omvang van de hoeveelheid hashish die blijkens de stukken op 18 april 2011 in de woning is aangetroffen vast dat deze hoeveelheid naar algemeen geldende maatstaven niet als voor eigen gebruik kan worden aangemerkt. Integendeel, het betreft een zeer grote hoeveelheid, die tevens een grote waarde vertegenwoordigt. Dat hier sprake is van een hoeveelheid die bedoeld is om te verhandelen acht de voorzieningenrechter daarom alleszins aannemelijk. Uit de stukken komt verder naar voren dat [verzoeker 3] over relatief grote hoeveelheden contanten en een tamelijk kostbare auto beschikte, terwijl hij de afgelopen jaren geen bij de belastingdienst bekende legale inkomsten uit arbeid of bedrijf had. Verder is in de berging een tas met verpakkingsmateriaal aangetroffen waarop de drugshond is aangeslagen, en is in de woning op de slaapkamer van [verzoeker 3] een weegschaal aangetroffen. Deze omstandigheden en artikelen duiden, naar algemeen bekend is, op mogelijke betrokkenheid bij drugshandel.
Bovendien is in de woning in een kast op de overloop, die volgens vader [verzoeker 1] bij [verzoeker 3] in gebruik was als kledingkast, ruim 21 gram amfetamine, zijnde harddrugs, aangetroffen. Ook deze hoeveelheid kan beschouwd worden als een handelshoeveelheid.
Dit alles maakt dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter de burgmeester zich terecht op het standpunt stelt dat het hier een woning betreft waar stoffen die op grond van Lijst I en II van de Opiumwet verboden zijn, ten behoeve van de verkoop, aflevering of verstrekking daarvan aanwezig zijn.
Gelet daarop was sprake van een situatie waarin de burgemeester bevoegd was om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bestuursdwang toe te passen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Vervolgens is het de vraag of de burgemeester de bevoegdheid uit art. 13b Opiumwet op een redelijke wijze heeft toegepast. De burgemeester heeft geen beleidsregels over art. 13b Opiumwet opgesteld. Daarover stelt de rechter:

De voorzieningenrechter merkt op dat, ook al is het de eerste keer dat de burgemeester gebruik maakt van deze bevoegdheid, het ontbreken van een dergelijk beleid ten aanzien van woningen ongewenst is. Bij de parlementaire behandeling in de Eerste Kamer van het wetsvoorstel dat zag op de aanpassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet ten aanzien van woningen, is juist de wenselijkheid van een dergelijk stappenplan/beleid uitgesproken in verband met het recht op family life zoals neergelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens (EVRM). Gelet op de ingrijpendheid van het middel verdient het dan ook aanbeveling om daarover tevoren duidelijkheid te bieden. Dit laat echter onverlet dat artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet een dergelijk beleid niet verplicht stelt en dat de burgemeester ook zonder een dergelijk stappenplan de bevoegdheid heeft om in de daar beschreven situaties bestuursdwang toe te passen. Wel dient het besluit dan extra goed gemotiveerd te zijn om op zichzelf de toets aan proportionaliteit en subsidiariteit te kunnen doorstaan en ook overigens niet in strijd te zijn met het recht.

Vervolgens kijkt hij naar de redelijkheid van toepassing van 13b Opiumwet in dit geval:

3.11 De voorzieningenrechter overweegt dat uit het dossier in deze zaak niet naar voren komt dat in de woning elders dan in de zolderkamer en de kast op de eerste verdieping die in gebruik zijn bij [verzoeker 3], spullen zijn aangetroffen waaruit kan worden afgeleid dat [verzoeker 1], zijn echtgenote of de andere twee bewoners samen met [verzoeker 3] betrokken zouden zijn bij de handel in drugs. Er zijn de voorzieningenrechter uit het overgelegde dossier evenmin aanwijzingen of waarnemingen gebleken dat [verzoeker 1], zijn echtgenote of de andere twee bewoners betrokken zijn bij degene met wie [verzoeker 3] volgens de politie heeft samengewerkt bij de handel in drugs, of zich daaraan zelfstandig mogelijk schuldig maken.

3.12 Dat er daadwerkelijk door de overige bewoners is geprofiteerd van de inkomsten van [verzoeker 3], blijkt evenmin voldoende duidelijk uit het huidige dossier. Het ene telefoongesprek van een 16-jarige acht de voorzieningenrechter daarvoor niet voldoende. Ter zitting is bevestigd dat bij die doorzoeking, die mede was gebaseerd op een verdenking van witwassen, geen goederen behorend tot andere bewoners dan [verzoeker 3] in beslag zijn genomen.
De financiële omstandigheden van [verzoeker 3] ondanks het ontbreken van regulier werk en in ieder geval de aangetroffen drugs hadden wellicht bij met name [verzoeker 1] en [verzoeker 2], als huurders/ouders en daarmee hoofdverantwoordelijken voor wat er in de woning gebeurt, vraagtekens moeten doen rijzen bij de bezigheden van hun oudste zoon. Maar nu er uit de overlegde stukken onvoldoende aanwijzingen blijken van daadwerkelijk betrokkenheid of daadwerkelijk gewin van [verzoeker 1] en de overige bewoners bij de vermeende activiteiten van [verzoeker 3], kan in redelijkheid niet gezegd worden dat zij aan te merken zijn als ‘schuldige medebewoners’. De voorzieningenrechter heeft hierbij verder betrokken dat het de eerste keer is dat in deze woning drugs zijn aangetroffen en dat ook [verzoeker 3] niet eerder antecedenten op het gebied van de Opiumwet had.
Tegen die achtergrond is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester in redelijkheid niet heeft kunnen overgaan tot het toepassen van de zwaarste variant binnen zijn mogelijkheden op grond van de bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, te weten de sluiting van deze woning.

Aangezien niet het hele gezin betrokken was bij de handel, is toepassing van art. 13b Opiumwet dus disproportioneel. De rechter neemt zijn beoordeling ook mee.

3.13 De voorzieningenrecht heeft bij dit oordeel ook van belang geacht dat in het onderhavige geval uit het dossier niet blijkt dat de woning (voor omwonenden, gebruikers of binnen het criminele circuit) bekend was als drugspand of plek waar of van waaruit drugshandel werd gepleegd. Dat er om die reden een noodzaak was om, met voorbijgaan aan de rechten van de medebewoners, dit pand te sluiten, volgt de voorzieningenrechter niet. Ter zitting is door de burgemeester in dit verband aangevoerd dat met de sluiting andere strafbare feiten of inbreuken op de openbare orde wordt voorkomen, bijvoorbeeld dat er door andere criminelen in de woning zou worden ingebroken om de hashish weer terug te krijgen, zoals bij de woning van de medeverdachte van [verzoeker 3] is gepoogd. Deze reden acht de voorzieningenrechter in dit geval onvoldoende zwaarwegend. Deze woning wordt, anders dan de bedoelde woning, door de overige verzoekers bewoond, terwijl de drugsvondst en de arrestatie van [verzoeker 3] inmiddels publiciteit hebben gekregen.

3.14 De voorzieningenrechter overweegt verder dat [verzoeker 1] en [verzoeker 2], als huurders wel een verantwoordelijkheid hebben voor wat er in de woning plaatsvindt en wat er daar aanwezig is, indien daarbij sprake is van strafbare feiten.
De door de burgemeester aangehaalde jurisprudentie waarin de huurder als ‘overtreder’ in de zin van de Awb wordt beschouwd, ziet op een ander rechtsgebied, namelijk handhaving van het gebruik van woningen overeenkomstig een bestemmingsplan. Analoog daaraan kan de voorzieningenrechter de burgemeester wel volgen in het, vanuit zijn bevoegdheid ingevolge artikel 13b, van de Opiumwet, aannemen van een verantwoordelijkheid van de huurders wanneer in de woning stoffen van lijst I en/of II van de Opiumwet worden aangetroffen.
Dit gaat echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zo ver dat de eerste keer dat zich omstandigheden voordoen waarbij de huurders, noch de overige medebewoner onomstotelijk mede betrokken zijn, zonder meer tot sluiting van de woning kan worden overgegaan. In de parlementaire geschiedenis bij artikel 13b van de Opiumwet is onder meer verwoord dat in het geval van een woning bij een eerste constatering aan bewoners de mogelijkheid moet worden gegeven zelf de situatie te beëindigen of te voorkomen.
De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verzoekers terecht stellen dat het bestreden besluit onevenredig is.

Zie LJN: BQ8685.

Blowverbod onverbindend na uitspraak Raad van State?

In de APV van Amsterdam is een blowverbod te vinden:

Ingevolge artikel 2.17, vijfde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam 2008 (hierna: de APV) is het verboden op door de burgemeester aangewezen wegen of weggedeelten softdrugs te gebruiken of openlijk voorhanden te hebben.

Bewoners verzoeken om het instellen van een blowverbod in hun straat.

De Raad van State stelt dat het blowverbod verbindende kracht mist. Eerst onderzoekt de Afdeling of het gebruik van drugs en blowen al strafbaar zijn:

De Afdeling ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het bepaalde in artikel 2.17, vijfde lid, van de APV zich verdraagt met de Opiumwet, in het bijzonder met het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder C, van die wet. Laatstgenoemde bepaling verbiedt het om middelen als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II, in het algemeen gangbaar spraakgebruik aangeduid als softdrugs, aanwezig te hebben. Overtreding hiervan is strafbaar. Naar het oordeel van de Afdeling is ook het gebruiken van softdrugs strafbaar op grond van de Opiumwet, omdat dit het aanwezig hebben ervan impliceert (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 14 december 2004; LJN: AR4923). Steun voor dit oordeel wordt gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3 van de Opiumwet, waarin is vermeld dat het ‘aanwezig hebben’ het ‘aanwenden’ van softdrugs mede omvat (Kamerstukken II 1974/75, 13 407, nrs. 1-3, blz. 14, 19 en 20).

Vervolgens bekijkt de Afdeling het blowverbod:

Artikel 2.17, vijfde lid, van de APV geeft de burgemeester de bevoegdheid een gebied aan te wijzen waarin het verboden is, en op grond van artikel 6.1 van de APV strafbaar is gesteld, om softdrugs te gebruiken of openlijk voorhanden te hebben. Gelet op het vorenoverwogene zijn deze handelingen echter reeds verboden op grond van artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet, en strafbaar gesteld op grond van artikel 11, eerste lid, van de Opiumwet. Voor gemeentelijke verbods- en strafbepalingen die deze voorschriften uit de Opiumwet dupliceren bestaat, ongeacht het motief dat daaraan ten grondslag ligt, geen ruimte.

Er is dus sprake van overlap. Dit leidt tot de volgende conclusie:

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat artikel 2.17, vijfde lid, van de APV in strijd is met artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet en dus verbindende kracht mist. De burgemeester was derhalve niet bevoegd om op grond van die bepaling een locatie aan te wijzen als gebied waar een softdrugsverbod geldt. Reeds hierom diende hij het tot een dergelijke aanwijzing strekkende verzoek van [appellant] en anderen af te wijzen. Voor een nadere, inhoudelijke beoordeling van het verzoek bestond geen ruimte.

Het blowverbod mist dus verbindende kracht en is een dode letter in de APV geworden. Eerder was al voorspeld dat de dagen van een integraal blowverbod geteld waren. Het wordt echter betwijfeld of dit verbod (gericht op het tegengaan van hinder) wel onverbindend is. Zie hier.

Zie LJN: BR1425

Burgemeester sluit seksshop op grond van art. 13b van de Opiumwet wegens vondst GHB

De burgemeester van Dordrecht sluit op grond van art. 13b van de Opiumwet een seksshop wegens de verkoop van GHB:

In april 2010 zijn een man en vrouw door de politie laveloos aangetroffen in een park. De man heeft tegenover de politie verklaard GHB te hebben gebruikt. De man heeft verklaard de dan door hem gebruikte GHB te hebben gekocht van een vrouw bereikbaar via een door hem aan de politie verstrekt telefoonnummer. Tevens heeft de man verklaard ook wel GHB te kopen via een seksshop op een locatie om en nabij de plaats waar verzoekers winkel zich bevindt. In de mobiele telefoon van de man blijken zowel het door hem verstrekte telefoonnummer van de vrouw als het telefoonnummer van [naam] zich te bevinden. De politie heeft de man vervolgens laten bellen met [naam]. De vrouw van wie de man de GHB in april 2010 had gekocht, heeft de telefoon bij [naam] opgenomen. Nader onderzoek van de politie heeft uitgewezen dat de vrouw van wie de man de GHB in april 2010 kocht, af en toe werkt bij [naam]. De politie heeft op basis van deze informatie besloten tot een inval in [naam] op 11 augustus 2010. Bij die inval heeft de politie, voor zover hier van belang, een ongeopend pakket met de naam van verzoeker erop aangetroffen in de winkel. Na opening van dit pakket op last van de rechter-commissaris heeft de politie daarin een fles met een kwart liter GHB aangetroffen en een tiental XTC-pillen. Voorts heeft de politie bij de inval, voor zover hier van belang, 5 gram cocaïne aangetroffen, verborgen achter voorwerpen op een plank in een kantoorruimte van de winkel. De gevonden middelen hebben volgens de politie een seksueel stimuleren werking, hetgeen volgens de politie maakt dat verkoop van deze drugs via seksshops niet ongebruikelijk is en de verkoop daarvan via [naam] verklaart.

De voorzieningenrechter meent dat de burgemeester bevoegd was art. 13b Opiumwet in te zetten. De burgemeester had volgens de rechter niet vooraf hoeven waarschuwen.

Wel acht de voorzieningenrechter de sluitingsduur van 6 maanden niet goed gemotiveerd:

De sluitingsduur moet erop zijn gericht overtredingen van de Opiumwet zoals door de burgemeester geconstateerd op grond van artikel 13b, eerste lid, van die wet te beëindigen en te voorkomen. Een verdergaande sluitingsduur zou tot gevolg hebben dat de maatregel niet langer het karakter van herstelmaatregel heeft maar een leedtoevoegend karakter krijgt.

(…)

elet daarop kan de voorzieningenrechter verweerder niet volgen in zijn betoog dat bij eenzelfde overtreding als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet in geval van een horecagelegenheid een sluiting van 3 maanden volgens het oude, minder strenge beleid redelijk moet worden geacht en in geval van een niet-horecagelegenheid een sluiting van 6 maanden volgens het nieuwe, strenge regime redelijk moet worden geacht. De enkele omstandigheid dat het vorige gemeentebestuur voor horecagelegenheden wel en voor niet-horecagelegenheden geen beleidsregels voor verweerders sluitingsbevoegdheid ingevolge artikel 13b van de Opiumwet heeft vastgesteld, kan daarvoor niet redengevend zijn, nu verweerder deze beleidsregels eenvoudig, al dan niet met toepassing van overgangsrecht, had kunnen intrekken. Zonder nadere onderbouwing acht de voorzieningenrechter de aan verzoeker opgelegde sluitingsduur van 6 maanden, gelet op de sluitingsduur die verweerder zou hebben bepaald indien verzoeker een horecagelegenheid had geëxploiteerd, volgens verweerders nieuwe gedragslijn voor niet-horecagelegenheden kennelijk onredelijk.

Bovendien bestaat er te veel tijd tussen de constatering van de overtreding en het besluit tot sluiting:

De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat tussen de constatering van de overtreding op 11 augustus 2010 en het besluit tot sluiting op 24 februari 2011 meer dan 6 maanden zijn gelegen. In die periode zijn geen nieuwe overtredingen door verzoeker bij de exploitatie van [naam] geconstateerd. Niet is gebleken van omstandigheden die maken dat dit tijdsverloop (mede) door toedoen van verzoeker is veroorzaakt.
In het bestreden besluit ontbreekt op dit punt, in weerwil van het ambtelijk tegenadvies, een nadere motivering, zodat het betoog van verzoeker dat in zoverre het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, doel treft. De ter zitting door verweerder alsnog gegeven motivering is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet toereikend.

Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat het tijdsverloop tussen constatering en besluit in dit geval niet zodanig is, dat de veronderstelling was gerechtvaardigd dat sluiting redelijkerwijs geen enkel effect meer kon sorteren en verweerder in redelijkheid van het opleggen van een maatregel had moeten afzien. De voorzieningenrechter acht echter met dit tijdsverloop bezien in samenhang met de hierboven genoemde feiten, anders dan verweerder, in beginsel een bijzondere omstandigheid gegeven die diende te leiden tot matiging van de sluitingduur, zodat verweerder het desondanks vasthouden aan zijn vaste gedragslijn diende te motiveren vanuit de hierboven geschetste belangen die door de burgemeester vanwege het doel van de in artikel 13b van de Opiumwet neergelegde sluitingsbevoegdheid bij de vaststelling van de sluitingsduur mogen worden betrokken. Het enkele standpunt dat geen sprake was van een bijzondere omstandigheid die verweerder aanleiding gaf tot afwijking, kan niet als een zodanige motivering dienen. De voorzieningenrechter ziet bevestiging voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 8 september 2010, LJN BN6187. Hierin eiste de Afdeling bij een tijdsverloop van 9 maanden tussen constatering en sluitingsbevel een zwaardere motivering onder afweging van voornoemde belangen voor het vasthouden aan de vaste gedragslijn van de burgemeester. De casus waarin volgens de Afdeling het tijdsverloop geen bijzondere omstandigheid vormde die de burgemeester aanleiding had moeten geven om de sluitingsduur volgens zijn vaste gedragslijn nader te bezien, betrof een minder groot tijdsverloop tussen constatering en sluitingsbevel dan hier aan de orde. Zie voor deze casus de uitspraken van de voorzitter van de Afdeling van 25 juni 2009, LJN BJ1109, en van de Afdeling van 23 maart 2011, LJN BP8750.

Zie LJN: BQ9873.