Burgemeester Veenendaal legt pedofiel gebiedsverbod op

Een pedofiel keert vanuit de gevangenis terug naar Veenendaal. De burgemeester wil hem aanvullende voorwaarden opleggen via het civiele recht. De civiele rechter acht de gemeente niet-ontvankelijk. Vervolgens legt de burgemeester via artikel 172 lid 3 Gemeentwet de pedofiel een gebiedsverbod op. De voorzieningenrechter schorst dit besluit, omdat hij dit onrechtmatig acht. Lees verder

Nieuw instrument bij de terugkeer van zedendelinquenten in de wijk

Politie en Wetenschap publiceert vandaag een onderzoek naar de aanpak van problemen die zich voordoen rondom de de terugkeer van zedendelinquenten in de wijk. Caroline Huls en Jan Brouwer van het Centrum voor Openbare Orde en Veiligheid concluderen dat het bestuursrecht onvoldoende mogelijkheden biedt, maar het civiele recht wel. Op grond van het Burgerlijk Wetboek kan de gemeente via de civiele rechter allerlei gedragsaanwijzingen  aan de zedendelinquent laten opleggen. Lees verder

Kantonrechter: ontuchtpleger moet huurwoning ontruimen

Een huurder wordt veroordeeld voor ontucht met minderjarigen. Hij veroorzaakt eveneens veel overlast voor de buren (provocerend, dreigend, intimiderend en gewelddadig gedrag). De verhuurder stapt naar de kantonrechter en verzoekt om uithuiszetting. Dat is succesvol: de rechter verplicht de ontuchtpleger om de woning te ontruimen. Lees verder

Gebiedsverbod pedofiel Eindhoven wel onrechmatig, maar geen schadevergoeding

De burgemeester van Eindhoven legt in 2009 een pedofiel een gebiedsverbod op.Dit gebiedsverbod wordt door de bestuursrechter als onrechtmatig aangemerkt.

De man stapt nu naar de civiele rechter. Hij wil dat deze rechter verklaard dat de burgemeester onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. De rechtbank wijst deze vordering toe:

4.2.  De rechtbank oordeelt als volgt. De gemeente heeft door het gebiedsverbod een inbreuk gemaakt op het recht van [eiser] zich vrij te bewegen. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 5 augustus 2010 geoordeeld dat deze inbreuk disproportioneel was zowel in tijd als in ruimte. De inbreuk op het recht van [eiser] is derhalve verdergaand geweest dan waartoe de gemeente bevoegd was. De bestuursrechter heeft dan ook geoordeeld dat het gebiedsverbod in strijd met het proportionaliteitsbeginsel is gegeven. Nu tegen deze uitspraak geen hoger beroep is ingesteld staat derhalve tussen partijen vast dat de gemeente een verdergaande inbreuk heeft gemaakt op het recht van [eiser] om zich vrij te bewegen dan waartoe de gemeente op grond van artikel 172 derde lid van de gemeentewet bevoegd was. Door (te vergaand) inbreuk te maken op dit recht van [eiser] heeft de gemeente jegens [eiser] onrechtmatig gehandeld. De norm die is geschonden strekt ter bescherming van burgers tegen inbreuken op hun rechten door een overschrijding van bevoegdheden door een overheid en dus ter bescherming van het recht op bewegingsvrijheid van [eiser] tegen een aan hem opgelegd te vergaand gebiedsverbod.

Vervolgens wil de man ook schadevergoeding. Wat betreft de materiële schade overweegt de rechtbank:

[eiser] stelt dat hij als gevolg van het gebiedsverbod schade heeft geleden bestaande uit extra kosten die hij heeft moeten maken voor onderkomen, advocaatkosten, reiskosten etc..[eiser] onderbouwt deze schade door te stellen dat hij deze kosten niet zou hebben gehad als hij zich in Eindhoven had kunnen vestigen. De rechtbank stelt voorop dat [eiser] ter onderbouwing van zijn schade een overzicht van door hem gemaakte kosten heeft overgelegd dat sluit op € 16.750,00 (productie 12 [eiser]). Het meer gevorderde is op geen enkele wijze onderbouwd, zodat dat deel van de vordering alleen al om die reden wordt afgewezen. Voor het overige geldt het volgende.

4.5.  De gemeente betwist het causaal verband tussen het gegeven gebiedsverbod en de door [eiser] gestelde schade. De gemeente betwist het causaal verband allereerst omdat volgens haar [eiser] niet in Eindhoven wilde gaan wonen – zo als hij meerdere malen heeft uitgesproken- , zodat hij niet is getroffen door het verbod zich daar te vestigen. [eiser] erkent dat hij zich op enig moment niet meer in Eindhoven wilde vestigen, maar dat dit nog wel het geval was voor en op 20 september 2009. Hier is pas verandering in gekomen naar aanleiding van de enorme publiciteit rond zijn persoon. De rechtbank is van oordeel dat de gemeente, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door [eiser], onvoldoende heeft onderbouwd dat op het moment dat het gebiedsverbod werd gegeven [eiser] niet in Eindhoven wilde wonen. De uitlatingen van [eiser] waar de gemeente naar verwijst dateren allemaal van later datum. Daarnaast heeft de gemeente geen verklaring kunnen geven voor het doel van de onderhandelingen over de voorwaarden waaronder [eiser] zich in Eindhoven had kunnen vestigen als [eiser] dat toen al niet had gewild.

4.6.  De rechtbank is echter met de gemeente van oordeel dat een belangrijk deel van de door [eiser] gestelde materiële schade niet het gevolg is van het door de gemeente gegeven gebiedsverbod, maar van het feit dat hij niet over een (sociale huur-)woning in Eindhoven heeft kunnen beschikken. Tussen partijen staat vast dat [eiser] bij zijn vrijlating op 20 september 2009 niet over een woning in Eindhoven beschikte. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] over een woning in Eindhoven had kunnen beschikken zonder medewerking van de gemeente. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de gemeente op grond van een tussen de gemeenten en justitie gesloten convenant gehouden was een woning voor hem te regelen. De rechtbank begrijpt dat [eiser] doelt op het samenwerkingsmodel nazorg volwassen (ex-)gedetineerde burgers gemeenten-justitie. Nog daargelaten dat uit dit samenwerkingsmodel geen rechtstreekse verplichtingen van gemeenten jegens burgers ontstaan, heeft [eiser] niet aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de gemeente in een verplichting voortvloeiend uit dit samenwerkingsmodel jegens hem tekort is geschoten.

4.7.  De gevorderde extra kosten voor huisvesting zijn berekend door de daadwerkelijk door [eiser] gemaakte kosten af te zetten tegen de kosten die [eiser] had gehad als hij over een sociale huurwoning in Eindhoven had kunnen beschikken. Zoals hiervoor overwogen is dit een onjuist uitgangspunt, zodat deze post zal worden afgewezen.

4.8.  Ditzelfde geldt voor de post telefoon die is berekend door de gebruikelijke telefoonkosten van [eiser] vóór zijn detentie, toen hij nog over een vaste telefoonaansluiting beschikte, af te zetten tegen de kosten die hij nu heeft gehad met gebruikmaking van een mobiele telefoon. [eiser] had pas weer over een vaste telefoonaansluiting kunnen beschikken op het moment dat hij weer een eigen woning had, en dat dit niet het geval was, is niet aan de gemeente te wijten.

4.9.  Ook de posten auto, postbus en citybox opslag inboedel worden afgewezen omdat [eiser] stelt dat deze kosten zijn gemaakt omdat hij niet over een woning in Eindhoven heeft kunnen beschikken.

4.10.  De gevorderde eigen bijdrage advocaat wordt afgewezen omdat deze niet is onderbouwd en omdat in de bestuursrechtelijke procedures waarin rechtskundige bijstand is verleend al een beslissing over de proceskosten is gegeven. De gemeente heeft zich uitdrukkelijk verzet tegen het verzoek van [eiser] om alsnog stukken in het geding te mogen brengen waaruit blijkt dat een deel van de kosten is gemaakt in adviesdossiers. [eiser] heeft geen reden gegeven waarom hij deze stukken niet eerder in het geding heeft kunnen brengen zodat hij hiertoe niet meer in de gelegenheid wordt gesteld.

4.11.  De post Menzis bestaat volgens de toelichting van [eiser] uit boetes die hij heeft moeten betalen omdat hij vanwege financiële problemen zijn zorgpremie niet tijdig heeft kunnen voldoen, terwijl deze financiële problemen een gevolg zijn van het gebiedsverbod van de gemeente. Deze post wordt afgewezen omdat deze in een te ver verwijderd verband staat met het door de gemeente gegeven gebiedsverbod.

Deze vordering wordt dus afgewezen. Wat betreft de immateriële schadevergoeding stelt de rechtbank:

4.15.  De gemeente heeft terecht niet weersproken dat een dergelijke grootscheepse en aanhoudende media-aandacht een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 eerste lid sub b BW oplevert. Voor zover de gemeente bedoeld heeft dit wel te betwisten, is dat verweer onvoldoende onderbouwd.

4.16.  De rechtbank is voorts van oordeel dat er sprake is van een conditio sine qua non verband tussen het gebiedsverbod en de aantasting in de persoon van [eiser] (dat het een zonder het ander niet zou hebben bestaan). De gemeente heeft immers niet betwist dat het gebiedsverbod uniek was in die zin dat niet eerder door een gemeente een dergelijk gebiedsverbod in een vergelijkbare situatie was gegeven en evenmin dat (de juridische strijd na) het gebiedsverbod (mede) daarom zoveel aandacht in de media heeft gekregen. Als het gebiedsverbod niet was gegeven, zou [eiser] derhalve niet aan in deze mate media-aandacht zijn blootgesteld. Het bestaan van een conditio sine qua non verband tussen een onrechtmatige gedraging en schade is echter onvoldoende voor het vestigen van aansprakelijkheid. Daartoe is vereist, dat er een zodanig causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige gedraging en de schade, dat die schade aan de onrechtmatige gedraging kan worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat de door [eiser] gevorderde schade daarvoor in een te ver verwijderd verband staat van het gebiedsverbod. Aantasting van de persoon door media-aandacht is immers geen objectief voorzienbaar gevolg van een (te vergaande) inperking van de bewegingsvrijheid. Er is dus onvoldoende causaal verband tussen het gebiedsverbod en de door [eiser] gestelde immateriële schade, om die schade aan de gemeente toe te rekenen.

4.17.  De rechtbank is daarnaast met de gemeente van oordeel dat de door de gemeente geschonden norm, te weten dat niet verder wordt ingegrepen in het recht op bewegingsvrijheid van [eiser] dan noodzakelijk is ter bescherming van de openbare orde, niet strekt tot bescherming tegen schade als gevolg van overmatige publiciteit, zodat ook om die reden de gemeente niet gehouden is de door [eiser] gestelde schade te vergoeden.

Ook deze vordering wordt dus afgewezen.

Zie LJN:BU2968. Zie ook hier en hier [pdf].

Stadsverbod Eindhovense pedofiel onrechtmatig

In 2000/2010 krijgt een pedofiel meerdere malen een gebiedsverbod voor de hele stad Eindhoven opgelegd. Zie hier en hier. De Rechtbank ‘s-Hertogenbosch behandelt het beroep tegen het gebiedsverbod. Dit verbod heeft artikel 172 lid 3 Gemeentewet als wettelijke grondslag.

De rechtbank overweegt:

“46.  De rechtbank is van oordeel dat het opgelegde gebiedsverbod, afgemeten aan het hiervoor weergegeven toetsingskader, zowel wat duur als wat omvang betreft een zodanig vergaande inbreuk vormt op de bewegingsvrijheid van eiser dat niet wordt voldaan aan de eis van proportionaliteit. Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank als volgt.

47.  De rechtbank is van oordeel dat een op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet opgelegd gebiedsverbod slechts van beperkte duur mag zijn. Verweerder heeft dit ter zitting onderschreven. Verweerder heeft de duur van het gebiedsverbod echter niet beperkt tot bijvoorbeeld een aantal dagen, maar heeft deze gekoppeld aan het onherroepelijk worden van de uitspraak in de strafzaak en het onder justitiële titel maken van concrete resocialisatie-, toezicht en/of zorgafspraken met eiser. Ten tijde van het geven van het bevel was voor verweerder niet voorzienbaar wanneer de uitspraak in de strafzaak onherroepelijk zou worden, waardoor het bevel in feite voor onbepaalde tijd is opgelegd.

48.  Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat niet kon worden volstaan met een gebiedsverbod van een beperkter omvang dan de gehele gemeente Eindhoven. Hoewel alleszins valt te begrijpen dat verweerder in het kader van de dreigende verstoring van de openbare orde wil voorkomen dat eiser direct na zijn vrijlating terugkeert naar dezelfde woonomgeving als zijn slachtoffers, ontslaat dit verweerder niet van de plicht – ook niet in het geval als hier aan de orde waarin binnen een zeer korte termijn een beslissing moest worden genomen – het gebied zorgvuldig vast te stellen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat verweerder vooral het gebied waarin de slachtoffers (van Turkse afkomst) wonen beschouwt als risicogebied. Uit de door verweerder voorgestelde overeenkomst (zoals hiervoor onder de rubriek feiten en omstandigheden weergegeven) blijkt ook dat verweerder in staat is binnen de gemeente Eindhoven een gebied aan te wijzen waarbinnen eiser in beginsel niet mag komen. Aan de omstandigheid dat in dat geval tevens elektronisch toezicht zou zijn opgelegd en handhaving van het gebiedsverbod eenvoudig was, komt geen beslissende betekenis toe. Verweerder heeft niet gesteld dat handhaving van een beperkter gebiedsverbod zonder elektronisch toezicht op eiser niet mogelijk is. Overigens valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, ook niet goed in te zien waarom handhaving van een gebiedsverbod zonder elektronisch toezicht voor de gehele gemeente Eindhoven wel en voor een beperkter gebied binnen die gemeente niet valt te handhaven. De omstandigheid dat, zoals verweerder in het besluit op bezwaar en ter zitting heeft benadrukt, de slachtoffers zich door geheel Eindhoven bewegen en voor hen de mogelijkheid bestaat eiser daar tegen te komen, vormt geen rechtvaardiging voor een gebiedsverbod voor de gehele gemeente Eindhoven. Immers, in de door verweerder voorgestelde overeenkomst zou deze mogelijkheid zich evenzeer kunnen voordoen. Dat eiser in dat geval onder elektronisch toezicht zou staan laat die mogelijkheid onverlet.

Ten slotte volgt de rechtbank verweerder niet in de stelling dat eiser de omvang van het gebiedsverbod in eigen hand zou hebben door in te stemmen met het door verweerder voorgestelde onvermijdbaar toezicht. Weliswaar zou in dat geval het gebiedsverbod voor eiser beperkter van omvang zijn en zou verweerder hem helpen passende woonruimte te vinden in Eindhoven. Maar aan de andere kant moet worden geoordeeld dat een dergelijke vorm van toezicht, dat, zoals door verweerder ter zitting is bevestigd, neerkomt op elektronisch toezicht voor een deel van het gebied, sterk vrijheidsbeperkend is en voor eiser dus zeer ingrijpend is. Daar komt bij dat elektronisch toezicht ook geen deel uitmaakt van de door de strafrechter – kort gezegd – opgelegde straf. In de gegeven omstandigheden
– waarbij van belang is dat de dreigende verstoring van de openbare orde niet van eiser maar van derden uitgaat – kon verweerder in redelijkheid niet van eiser verwachten dat hij zou instemmen met een dergelijke vorm van toezicht om aldus de omvang van het gebiedsverbod te beperken.

49.  Aangezien uit het voorgaande volgt dat het bevel in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel en reeds om die reden in rechte geen stand kan houden, behoeft niet meer te worden onderzocht of verweerder op het moment van het nemen van het bevel met een minder verstrekkende maatregel dan een gebiedsverbod kon volstaan (subsidiariteitsbeginsel).”

Het beroep is gegrond.

Zie LJN: BN3313. Zie NRC voor de reactie van de burgemeester van Eindhoven.