Vereniging van Eigenaars (VvE) dwingt eigenaar tot verwijdering honden uit woning

Een appartementseigenaar veroorzaakt veel overlast. Er verblijven vier honden in zijn woning. De Vereniging van Eigenaars (VvE) vordert dat de eigenaar de honden uit het appartementencomplex verwijdert. De voorzieningenrechter verplicht de eigenaar om twee honden te verwijderen. Lees verder

Dierenasiel moet schadevergoeding betalen na veroorzaken onrechtmatige hinder (5:37 BW)

Een dierenasiel in Almere veroorzaakt volgens de rechtbank onrechtmatige hinder als bedoeld in art. 5:37 BW. Er is sprake van stankoverlast en geluidsoverlast veroorzaakt door een grote hoeveelheid dieren:

4.6.  [eisers] vordert schadevergoeding stellende dat hij als gevolg van het onrechtmatig gebruik van het perceel schade heeft geleden bestaande uit materiële en immateriële schade als gevolg van aantasting van het woongenot. Deze schade wordt (geheel dan wel gedeeltelijk) hoofdelijk gevorderd van Stichting Dierenthuis, [gedaagde sub 5], Stichting Dierenthuis naar Almere, CHB en Winterstad.

4.7.  [eisers] legt aan de vordering jegens Stichting Dierenthuis ten grondslag dat Stichting Dierenthuis onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld door het (zonder vergunning) houden van grote aantallen dieren, waardoor [eisers] geluids- en stankoverlast heeft ondervonden. [gedaagde sub 5] wordt voor diezelfde schade aansprakelijk gehouden omdat hij als bestuurder de initiator was van Stichting Dierenthuis en Stichting Dierenthuis naar Almere.

4.8.  Dierenthuis betwist dat er sprake is van geluids- en stankoverlast. Het verweer dat er geen sprake is van geluidsoverlast onderbouwt Dierenthuis door te verwijzen naar een rapport van een akoestisch onderzoek dat in december 2008 is uitgevoerd door ingenieursbureau [X]. [X] concludeert dat onder door haar genoemde voorwaarden Stichting Dierenthuis aan de geluidsnormen voldoet (productie 2 bij conclusie van antwoord van Dierenthuis). [eisers] wijst er bij repliek terecht op dat [X] is uitgegaan van de aanwezigheid van 40 honden, waarvan er maximaal 32 tegelijkertijd buiten lopen, terwijl, zoals door Dierenthuis niet is betwist, er thans 70 honden op het perceel verblijven die 24 uur per dag vrij naar binnen en naar buiten kunnen (punt 14 conclusie van repliek).
De rechtbank is van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat het buiten houden van 70 honden geluidsoverlast oplevert voor bewoners van naburige woningen. Niet betwist is dat de woning van [eisers] op een afstand van 19 meter van het perceel is gelegen. Het verweer dat er in het onderhavige geval geen sprake is van geluidsoverlast wordt niet onderbouwd door het door Dierenthuis overgelegde rapport van [X]. Er wordt immers niet voldaan aan de door [X] genoemde voorwaarde ten aanzien van het maximaal aantal honden dat tegelijkertijd buiten verblijft, waarmee ook niet voldaan zal zijn aan de vigerende geluidsnormen.

4.9.  Dierenthuis onderbouwt het verweer dat er geen sprake is van stankoverlast door te verwijzen naar een rapport van een geuronderzoek dat in december 2008 is uitgevoerd door Buro Blauw BV, waarin wordt geconcludeerd dat er buiten het terrein geen geur afkomstig van Stichting Dierenthuis zal worden waargenomen en dat het ontstaan van geurhinder zeer onwaarschijnlijk is (productie 4 bij conclusie van antwoord van Dierenthuis). Dierenthuis legt tevens over de beoordeling van dit onderzoek door SRE Milieudienst (productie 5 bij conclusie van antwoord van Dierenthuis). SRE Milieudienst plaatst de volgende opmerkingen bij het geuronderzoek:’
a.  Het meetrapport en de conclusie zijn gebaseerd op een eenmalige meting. Een snuffelmeting dient, volgens de bij Nederlandse emissie richtlijn behorende bijzondere regeling, meerdere malen, onder verschillende meteorologische omstandigheden, bij representatieve bedrijfsomstandigheden plaats te vinden. Dus 1 meting is niet voldoende.
b.  De emissie van geur hangt vaak sterk samen met de specifieke bedrijfsomstandigheden op het moment van uitvoering van de geurmeting. Het is dus van groot belang die vast te leggen. In het rapport is niet vermeld welke dieren in welke getale aanwezig waren op het moment van de uitvoering van de meting en hoe zich dat verhoudt tot de representatieve bedrijfssituatie. Dit moet wel worden aangegeven.
c.  De emissie van geur en de verspreiding ervan kan (sterk) afhankelijk zijn van meteorologische omstandigheden. Het kan dus zijn dat bij hoge buitentemperaturen een, van de in het rapport beschreven, afwijkende emissie en geurverspreiding plaatsvindt (zie tevens antwoord a.)
Het rapport geeft inzicht in de wijze waarop de geurmeting is uitgevoerd, wat de resultaten zijn en welke conclusies daaraan kunnen worden verbonden. Het rapport vermeldt echter niet dat de eenmalige meting moet worden beschouwd als een indicatieve meting. In het rapport wordt onvoldoende gemotiveerd waarom: op basis van de uitkomsten van dit onderzoek kan worden geconcludeerd dat er buiten het terrein geen geur van de Stichting Dierenthuis zal worden waargenomen. Het ontstaan van geurhinder buiten de opvang is dan ook zeer onwaarschijnlijk.’

4.10.  Gelet op de opmerkingen van SRE milieudienst voert [eisers] terecht aan dat het uitgevoerde geuronderzoek geen afbreuk doet aan de constatering van de taxateur van de gemeente die een penetrante stank heeft waargenomen. Daarnaast is door [eisers] onbetwist gesteld dat sedert 2008 het aantal dieren belangrijk is toegenomen. Het feit dat het houden van 1.500 katten, zonder dat bijzondere maatregelen zijn getroffen waarover niets is gesteld, zal leiden tot geuroverlast, acht de rechtbank een feit van algemene bekendheid. Dat dit in casu niet het geval is, wordt niet onderbouwd door het in opdracht van Stichting Dierenthuis verrichte geuronderzoek.

4.11.  De rechtbank is van oordeel dat Stichting Dierenthuis onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld door hinder toe te brengen in een mate die [eisers] niet had hoeven te dulden. Daarbij speelt mee dat Stichting Dierenthuis zich willens en wetens zonder de benodigde vergunningen en terwijl dat strijdig was met de bepalingen van het bestemmingsplan op het perceel heeft gevestigd en in weerwil van de rechterlijke beslissingen het aantal dieren telkens heeft uitgebreid. Stichting Dierenthuis is derhalve aansprakelijk voor de schade die [eisers] als gevolg van dat onrechtmatig handelen heeft geleden.

Vervolgens bepaalt de rechtbank welke schade moet worden vergoed:

4.12.  [eisers] berekent zijn schade door de waardevermindering van de woning, zoals vastgesteld door de gemeente, om te rekenen naar een bedrag per dag (€ 23.000,00 : 365 = € 63,00). Vervolgens vermenigvuldigt [eisers] dit bedrag per dag met het aantal dagen dat hij hinder heeft ondervonden. De rechtbank volgt deze wijze van schadeberekening niet, omdat zij zich niet kan vinden in de gehanteerde uitgangspunten. Hantering van deze wijze van schadeberekening zou er immers toe kunnen leiden dat [eisers] enkele malen de waardevermindering van de woning zou ontvangen, omdat de onrechtmatige gedragingen van Stichting Dierenthuis al enkele jaren plaatsvinden en nog steeds voortduren.

4.13.  [eisers] stelt terecht dat schade als gevolg van verminderd woongenot kan bestaan uit materiële en immateriële schade. Materiële schade kan bijvoorbeeld bestaan uit uitgaven die hun doel hebben gemist, zoals in casu de eigenaarslasten. [eisers] geeft geen inzicht in zijn eigenaarslasten maar legt wel een berekening over van de vermindering van de huurwaarde van de woning als gevolg van hinderlijke situaties (productie 39 bij conclusie van repliek). Uit deze berekening blijkt dat voor hinderlijke situaties een aftrek van maximaal 40 punten kan worden toegepast, welke maximale aftrek voor de woning van [eisers] neer zou komen op de vermindering van de huurwaarde met € 184,36 per maand, € 6,15 per dag. In de overgelegde berekening worden ook 25 punten voor niet aanwezige voorzieningen afgetrokken, maar de rechtbank ziet niet in welk verband er is tussen de aanwezigheid van hinder en de afwezigheid van voorzieningen.

4.14.  Immateriële schadevergoeding kan worden toegekend als de aantasting van het woongenot zo ernstig is dat deze leidt tot een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, 1e lid onder b. BW. De rechtbank is van oordeel dat [eisers] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er door de voortdurende aanwezigheid van geluids- en stankoverlast sprake is van een ernstige aantasting van het woongenot gedurende een langere periode, leidende tot een aantasting in de persoon van [eisers].

4.15.  Bij het vaststellen van de in billijkheid toe te kennen schadevergoeding hanteert de rechtbank de volgende uitgangspunten:
–  de vermindering van de huurwaarde van de woning van [eisers] als gevolg van de overlast bedraagt maximaal € 6,15 per dag;
–  [eisers] heeft naast materiële tevens immateriële schade;
–  de onrechtmatige gedragingen zijn aangevangen op 1 oktober 2007, de dag dat Stichting Dierenthuis zich op het perceel vestigde;
–  het aantal dieren is toegenomen van 507 katten en 43 honden ten tijde van de vestiging in oktober 2007, tot 1500 katten en 70 honden in september 2011, zodat ook de hinder evenredig zal zijn toegenomen;
–  [eisers] heeft alles in het werk gesteld om Stichting Dierenthuis te bewegen de onrechtmatige hinder te beëindigen;
–  Stichting Dierenthuis heeft zich niets gelegen laten liggen aan de last onder dwangsom en de rechterlijke uitspraken die haar geboden het onrechtmatige gebruik van het perceel te beëindigen.

4.16.  [eisers] vordert vergoeding van zijn schade met ingang van 21 april 2009, de dag dat hij Stichting Dierenthuis en [gedaagde sub 5] aansprakelijk heeft gesteld. De rechtbank kan de schade vaststellen tot 28 september 2011, de dag dat de laatste processtukken zijn ingediend waaruit blijkt dat en in welke mate de hinder voortduurde. Alles in aanmerking nemende stelt de rechtbank de schade die [eisers] heeft geleden in de periode van 21 april 2009 tot en met 28 september 2011, materieel en immaterieel tezamen, vast op € 8.770,00, zijnde gemiddeld € 10,00 per dag gedurende 29 maanden en 7 dagen. Hiervoor is Stichting Dierenthuis als pleger van de onrechtmatige daad aansprakelijk, zodat de vordering tot vergoeding van schade jegens Stichting Dierenthuis wordt toegewezen.

4.17.  De vordering tot vergoeding van toekomstige schade zal worden afgewezen. Voor een dergelijke veroordeling is geen plaats nu niet vaststaat dat blijvend schade zal worden geleden. Zodra Stichting Dierenthuis het onrechtmatig handelen beëindigd of verminderd, zal [eisers] geen of minder schade lijden. Hoelang en in welke mate nog schade zal worden geleden is dermate onzeker, dat toekenning van toekomstige schadevergoeding niet op zijn plaats is.

Zie LJN: BV0449

Huurovereenkomst ontbonden omdat huurder te veel honden heeft

Huurder heeft vier honden in zijn woning. Hij fokt ook met de honden. De woning is vervuild en de omwonenden klagen over stankoverlast. De verhuurder vordert dat de huurovereenkomst ontbonden moet worden.

De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst. Huurder gedraagt zich niet als goed huurder. Vervolgens kijkt de kantonrechter of deze tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt:

Bij de beantwoording van de vraag of dit de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt dient rekening gehouden te worden met de aard van de gedragingen, de redelijke belangen van partijen en de omstandigheden van het geval. In dat licht wordt het volgende overwogen.
Ten aanzien van de overlast geldt dat sprake is van vervuiling en een sterke hondengeur. Echter, het gehele complex maakt een onverzorgde en verpauperde indruk. Ook de hal op de eerste verdieping is, zo bleek tijdens de descente, niet schoon – hetgeen niet aan de honden van [gedaagde] te wijten is. Van een ontoelaatbare vervuiling kan dan ook niet gesproken worden. Evenmin kan de aanwezige hondengeur als ontoelaatbaar hebben te gelden. Immers, in het algemeen worden gebruikers en bewoners van een gemeenschappelijke ruimte geconfronteerd met geuren die samenhangen met de leefwijzen van andere gebruikers, zoals kook- of rookluchten, waarbij enige tolerantie en acceptatie verwacht mag worden. In dat licht kan de ter plaatse waargenomen hondengeur niet als een onacceptabele hinder worden beschouwd.
Dat de honden van [gedaagde] thans nog steeds hun behoefte doen op het gemeenschappelijk grasveld is niet gebleken.
Dat de honden hinderlijk of dreigend gedrag vertonen is evenmin gebleken, waarbij ongetwijfeld de toewijding en de bekwaamheden van [gedaagde] een rol spelen.

Ondanks het bovenstaande acht de kantonrechter de vordering tot ontbinding en ontruiming wel toewijsbaar. Daartoe dient het volgende.
Tijdens de plaatsopneming is gebleken dat de woning van [gedaagde] absoluut niet geschikt is voor het houden van 4, of meer, honden, laat staan voor het houden van en handelen in jonge honden. De woning is eenvoudig te klein, en kan, gelet op het aantal hokken en de ruimte die de honden met hun toebehoren in beslag nemen, feitelijk ook niet meer als woning beschouwd worden maar eerder als een kennel, vooral gericht op het houden en fokken van honden. Dat dit, ook, te maken heeft met de te waarderen toewijding van [gedaagde] jegens zijn honden maakt dit niet anders.
Tegelijkertijd blijkt uit het dossier dat het lastig, zo niet onmogelijk, is om afspraken te maken met [gedaagde], terwijl dat juist bij het (beoogde) gebruik door [gedaagde] van de woning en de gemeenschappelijke ruimte wel noodzakelijk is. In dit verband wordt gewezen op de afspraken die blijken uit de brief van 9 juni 2008, de brief van 24 juni 2008 en de brief van 25 mei 2009. Deze afspraken worden door [gedaagde] niet nagekomen, zoals blijkt uit de inhoud van deze brieven en de verslagen van de wijkbeheerder van 11 oktober 2010 en de huismeester van november 2010. De stelling van [gedaagde] dat eventuele klachten niet naar hem maar naar de huurdersvereniging gestuurd zouden worden kan hem niet baten; in voldoende mate staat vast dat hij op de hoogte was van de aanmaningen van SWF betreffende zijn honden. Dat hij deze aanmaningen kwalificeert als “lastigvallen” toont aan dat hij in onvoldoende mate besef heeft van zijn verplichtingen als huurder en van de rechten van de verhuurder.

3.6.  De voorgaande overwegingen brengen mee dat de huurovereenkomst ontbonden moet worden. De kantonrechter is zich daarbij bewust van de ingrijpende gevolgen die dit voor [gedaagde] kan hebben, nu het niet aannemelijk is dat hij elders een vergelijkbare woonruimte kan vinden waarin hij minstens 4 honden kan houden, hetgeen wel zijn sterke wens is. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat SWF bereid is zich in sterke mate in te zetten voor [gedaagde] bij het vinden van andere woonruimte. Op dit punt rust echter geen verplichting op SWF. Het is immers de toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] die tot de ontbinding leidt. De reconventionele vorderingen zullen dan ook afgewezen worden.
De termijn waarbinnen tot ontruiming overgegaan moet worden zal worden bepaald op 8 weken na betekening van het vonnis. De door SWF genoemde termijn van 14 dagen is onredelijk kort, zeker nu [gedaagde] niet alleen voor zichzelf vervangende woonruimte moet vinden maar ook voor zijn honden enige vorm van opvang zal moeten regelen.

De huurovereenkomst wordt ontbonden.

Zie LJN:BU2511.

Huurder veroorzaakt plaag van ratten en is geen baas meer in eigen huis

Een huurder verwaarloost zijn woning en veroorzaakt een rattenplaag:

1.4.  Naar aanleiding van klachten van omwonenden over stankoverlast is op zeker moment in de tweede helft van 2007 de woning van [gedaagde] door een functionaris van de GGD bezocht. Daarbij is de functionaris gebleken dat [gedaagde] circa 60 bruine ratten zelf had gevangen en in een kooi had gestopt. De functionaris heeft de ratten in beslag genomen.
1.5.  Onder meer naar aanleiding van bovenstaand incident is door [eiser] met [gedaagde] afgesproken dat deze zijn woning beter schoon moet houden, zijn huisdieren goed moet verzorgen, geen wilde duiven in huis mag nemen en ook geen duiven mag voeren door voedsel vanaf zijn balkon naar beneden te gooien.
1.6.  Later in 2007 en medio 2008 zijn opnieuw bruine ratten in een kooi en losvliegende duiven in de gehuurde woning aangetroffen.
1.7.  Halverwege 2009 heeft een medewerkster van de dierenbescherming geconstateerd dat diverse door [gedaagde] gehouden knaagdieren onvoldoende verzorging kregen. Voorts bleken er wilde duiven op de zolderkamer te verblijven en zat de zolderkamer onder de duivenuitwerpselen.

Vervolgens neemt de man ook een illegaal in zijn woning:

Begin 2010 is het [eiser] gebleken dat [gedaagde] een illegaal in Nederland verblijvende man onderdak had geboden door het ter beschikking stellen van zijn zolderkamer. De betreffende man bleek op de zolderkamer een barbecue te hebben staan die hij gebruikte om zijn eten te verwarmen en hij bleek te urineren in een jerrycan. Tezelfdertijd bleek de bewoner van tweehoog zijn zolderkamer aan een drugsgebruiker ter beschikking te hebben gesteld.

De verhuurder wil nu de woning laten ontruiming. De rechter overweegt over de overlast van ratten:

Het door [eiser] gewraakte woongedrag van [gedaagde] in de jaren 2007 – 2009 heeft te maken met stankoverlast, overlast door het gooien van voedsel en het los laten lopen respectievelijk vliegen van knaagdieren en duiven in de woning met alle vervuilende aspecten van dien. Daarbij wordt wel de kanttekening gemaakt dat niet is aangetoond dat het ontstaan van een muizen/ratten/kakkerlakkenplaag door [gedaagde] is veroorzaakt, al zal het naar beneden gooien van voedsel daaraan wel hebben kunnen bijdragen.
6.  Het verwijt dat [gedaagde] valt te maken ten aanzien van de ratten in zijn woning is dan ook niet zozeer gelegen in het feit dat hij de ratten die hij in zijn keuken tegenkwam heeft gevangen, maar wel dat hij ze vervolgens in een kooi heeft opgesloten en bij zich heeft gehouden – met alle onhygiënische aspecten van dien – in plaats van ze af te geven aan een daarvoor in aanmerking komende gemeentelijke dienst. Ernstiger nog wordt het feit geoordeeld dat [gedaagde] bij herhaling een slaapkamer heeft opengesteld als onderkomen voor stadsduiven die daar vervolgens de betreffende kamer bevuilden. Voorts is er sprake van het los laten lopen van een konijn, in plaats van dit in een hok te houden. In de stukken wordt door [eiser] gesproken van nog andere loslopende huisdieren, maar dit wordt niet verder toegelicht, zodat dat verder bij de beoordeling geen rol kan spelen.
7.  Te begrijpen valt dat [eiser] in de periode 2007-2009 de wijze van bewoning van het gehuurde en de daarbij ontstane overlast niet wilde tolereren. Het valt te prijzen dat [eiser], kennelijk rekening houdende met de persoonlijke omstandigheden van [gedaagde], niet direct tot vergaande maatregelen is overgegaan, maar haar sociale gezicht heeft getoond en door middel van het maken van afspraken met [gedaagde] heeft geprobeerd diens woongedrag te verbeteren. Dit lijkt na het laatste duivenincident in 2009 ook structureel verbeterd te zijn. In ieder geval valt uit het dossier niet op te maken dat er na deze periode nog sprake is geweest van het houden van ratten, losvliegende duiven of loslopende knaagdieren, dus wordt daar niet van uitgegaan. Wel is er nog een zeer recente klacht van de benedenbuurvrouw dat [gedaagde] nog steeds etensresten naar beneden gooit. Nu dit laatste wordt betwist, het bewijs daarvoor bij [eiser] ligt en het onderhavige kort geding voor bewijslevering geen ruimte geeft, kan van de juistheid van dit verwijt bij de beoordeling evenmin worden uitgegaan.

Vervolgens gaat de rechter in op het opnemen van een illegaal in de woning:

De houding van [eiser] is veranderd toen zij na een melding een illegaal verblijvende man in de zolderkamer van [gedaagde] aantrof. Ook hier past enige nuance. Op zich verbiedt het huurcontract niet aan een huurder om, na verkregen toestemming, een derde tijdelijk te laten inwonen door het ter beschikking stellen van een kamer, zolang men als huurder zelf de woning als hoofdverblijf blijft gebruiken (zie onder 1.2). Dat neemt niet weg dat ook in dat geval de huurder verantwoordelijk blijft tegenover [eiser] voor het gedrag van de inwonende persoon. Het gaat haar in het gegeven geval dan ook minder om de ingebruikgeving van de zolderkamer op zichzelf – hoewel niet eerst toestemming is gevraagd – maar meer om het feit dat [gedaagde] dit heeft gedaan aan een hem kennelijk onbekende man en zonder dat [gedaagde] verder toezicht heeft gehouden op het gebruik van die zolderkamer en zonder de betreffende persoon noodzakelijke voorzieningen te bieden. Dat had onder meer tot gevolg dat deze man op de zolderkamer zijn gang kon gaan met een barbecue, met alle brandgevaar van dien en dat hij zo zijn eigen oplossingen voor toiletproblemen is gaan creëren.

(…)

et incident met de in gebruik gegeven zolderkamer waarmee “de maat vol was” is echter geheel anders van karakter en valt daarom niet goed te plaatsen onder het niet nakomen van gemaakte afspraken met [eiser] c.q. de GGD voor wat betreft het houden en voeren van dieren. Al met al wordt geoordeeld dat, gelet op het door [eiser] ingezette verbeteringstraject, het ingebruikgevingsincident tezeer op zichzelf staat om als druppel te dienen die de emmer van de voorafgaande incidenten c.q. niet of niet volledig nagekomen afspraken zou kunnen doen overlopen, terwijl het als tekortkoming op zichzelf beschouwd onvoldoende oplevert voor een ontruiming. Daarbij speelt een rol dat [gedaagde], naar het zich laat aanzien, bij het onderdak bieden aan de betreffende dakloze zonder persoonlijk belang en, ten aanzien van de consequenties, naïef heeft gehandeld, terwijl bovendien, blijkens mondelinge toelichting ter zitting, een vergelijkbaar geval bij de buurman/vrouw met een waarschuwing is afgedaan. Dat betekent wel dat een herhaling van dergelijk gedrag tot een ander oordeel zou kunnen leiden.

De rechter komt tot de volgende conclusie:

Het bovenstaande betekent dat er thans onvoldoende aanleiding is gebleken voor een voorlopige maatregel van ontruiming in afwachting van een beslissing in een bodemprocedure. Dat wil niet zeggen dat er niet van enige aanleiding voor de gevraagde voorziening is gebleken en [gedaagde] dient zich dan ook goed te realiseren dat nieuwe incidenten of gedrag in strijd met de huurovereenkomst en eerder gemaakte afspraken een vordering tot ontruiming alsnog toewijsbaar kunnen doen maken.

De vordering tot ontruiming wordt afgewezen.

Zie LJN: BR2173.

Raad van State: B&W moest optreden tegen overlast houtkachel

Het college van B&W van de gemeente Bergen weigert op te treden tegen overlast van een houtkacheltje. De rechtbank verplicht het college daartoe. Er is sprake van een overtreding van artikel 7.3.2. van de Bouwverordening.

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State acht deze uitspraak rechtmatig:

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college niet zonder nader onderzoek heeft kunnen komen tot het besluit om het handhavend optreden waarom was verzocht, te weigeren. Daarbij is van belang dat de gegevens die het college voorafgaand aan het besluit van 30 juni 2009 ter zake van mogelijke onrechtmatige hinder op het perceel had verzameld, aanleiding gaven tot een nader onderzoek teneinde objectief vast te stellen of de stookactiviteiten op het perceel onrechtmatige hinder voor de omgeving veroorzaakten.

Het betoog van het college dat nader onderzoek praktisch onmogelijk was, wordt niet gevolgd. De omstandigheid dat Hoven de tuinkachel onklaar had gemaakt, alsmede de stelling dat bij het besluit van 30 juni 2009 een dwangsom was opgelegd die volgens het college zou worden verbeurd bij gelegenheid van een dergelijk onderzoek, leidt niet tot de conclusie dat het op voorhand onvoorstelbaar is dat uit enig onderzoek een resultaat kan worden verkregen aan de hand waarvan het college kan bepalen dat al dan niet aan artikel 7.3.2. van de bouwverordening wordt voldaan. Het is in beginsel aan het college te bepalen op welke wijze dit onderzoek zal plaatsvinden, waarbij zo nodig de verplichting om aan de bij het besluit van 30 juni 2009 opgelegde last te voldoen wordt opgeschort. Het staat niet op voorhand vast dat door toedoen van Hoven of vanwege andere bezwaren dit onderzoek niet kan plaatsvinden.

Zie LJN: BQ3427.