Huurder veroorzaakt plaag van ratten en is geen baas meer in eigen huis

Een huurder verwaarloost zijn woning en veroorzaakt een rattenplaag:

1.4.  Naar aanleiding van klachten van omwonenden over stankoverlast is op zeker moment in de tweede helft van 2007 de woning van [gedaagde] door een functionaris van de GGD bezocht. Daarbij is de functionaris gebleken dat [gedaagde] circa 60 bruine ratten zelf had gevangen en in een kooi had gestopt. De functionaris heeft de ratten in beslag genomen.
1.5.  Onder meer naar aanleiding van bovenstaand incident is door [eiser] met [gedaagde] afgesproken dat deze zijn woning beter schoon moet houden, zijn huisdieren goed moet verzorgen, geen wilde duiven in huis mag nemen en ook geen duiven mag voeren door voedsel vanaf zijn balkon naar beneden te gooien.
1.6.  Later in 2007 en medio 2008 zijn opnieuw bruine ratten in een kooi en losvliegende duiven in de gehuurde woning aangetroffen.
1.7.  Halverwege 2009 heeft een medewerkster van de dierenbescherming geconstateerd dat diverse door [gedaagde] gehouden knaagdieren onvoldoende verzorging kregen. Voorts bleken er wilde duiven op de zolderkamer te verblijven en zat de zolderkamer onder de duivenuitwerpselen.

Vervolgens neemt de man ook een illegaal in zijn woning:

Begin 2010 is het [eiser] gebleken dat [gedaagde] een illegaal in Nederland verblijvende man onderdak had geboden door het ter beschikking stellen van zijn zolderkamer. De betreffende man bleek op de zolderkamer een barbecue te hebben staan die hij gebruikte om zijn eten te verwarmen en hij bleek te urineren in een jerrycan. Tezelfdertijd bleek de bewoner van tweehoog zijn zolderkamer aan een drugsgebruiker ter beschikking te hebben gesteld.

De verhuurder wil nu de woning laten ontruiming. De rechter overweegt over de overlast van ratten:

Het door [eiser] gewraakte woongedrag van [gedaagde] in de jaren 2007 – 2009 heeft te maken met stankoverlast, overlast door het gooien van voedsel en het los laten lopen respectievelijk vliegen van knaagdieren en duiven in de woning met alle vervuilende aspecten van dien. Daarbij wordt wel de kanttekening gemaakt dat niet is aangetoond dat het ontstaan van een muizen/ratten/kakkerlakkenplaag door [gedaagde] is veroorzaakt, al zal het naar beneden gooien van voedsel daaraan wel hebben kunnen bijdragen.
6.  Het verwijt dat [gedaagde] valt te maken ten aanzien van de ratten in zijn woning is dan ook niet zozeer gelegen in het feit dat hij de ratten die hij in zijn keuken tegenkwam heeft gevangen, maar wel dat hij ze vervolgens in een kooi heeft opgesloten en bij zich heeft gehouden – met alle onhygiënische aspecten van dien – in plaats van ze af te geven aan een daarvoor in aanmerking komende gemeentelijke dienst. Ernstiger nog wordt het feit geoordeeld dat [gedaagde] bij herhaling een slaapkamer heeft opengesteld als onderkomen voor stadsduiven die daar vervolgens de betreffende kamer bevuilden. Voorts is er sprake van het los laten lopen van een konijn, in plaats van dit in een hok te houden. In de stukken wordt door [eiser] gesproken van nog andere loslopende huisdieren, maar dit wordt niet verder toegelicht, zodat dat verder bij de beoordeling geen rol kan spelen.
7.  Te begrijpen valt dat [eiser] in de periode 2007-2009 de wijze van bewoning van het gehuurde en de daarbij ontstane overlast niet wilde tolereren. Het valt te prijzen dat [eiser], kennelijk rekening houdende met de persoonlijke omstandigheden van [gedaagde], niet direct tot vergaande maatregelen is overgegaan, maar haar sociale gezicht heeft getoond en door middel van het maken van afspraken met [gedaagde] heeft geprobeerd diens woongedrag te verbeteren. Dit lijkt na het laatste duivenincident in 2009 ook structureel verbeterd te zijn. In ieder geval valt uit het dossier niet op te maken dat er na deze periode nog sprake is geweest van het houden van ratten, losvliegende duiven of loslopende knaagdieren, dus wordt daar niet van uitgegaan. Wel is er nog een zeer recente klacht van de benedenbuurvrouw dat [gedaagde] nog steeds etensresten naar beneden gooit. Nu dit laatste wordt betwist, het bewijs daarvoor bij [eiser] ligt en het onderhavige kort geding voor bewijslevering geen ruimte geeft, kan van de juistheid van dit verwijt bij de beoordeling evenmin worden uitgegaan.

Vervolgens gaat de rechter in op het opnemen van een illegaal in de woning:

De houding van [eiser] is veranderd toen zij na een melding een illegaal verblijvende man in de zolderkamer van [gedaagde] aantrof. Ook hier past enige nuance. Op zich verbiedt het huurcontract niet aan een huurder om, na verkregen toestemming, een derde tijdelijk te laten inwonen door het ter beschikking stellen van een kamer, zolang men als huurder zelf de woning als hoofdverblijf blijft gebruiken (zie onder 1.2). Dat neemt niet weg dat ook in dat geval de huurder verantwoordelijk blijft tegenover [eiser] voor het gedrag van de inwonende persoon. Het gaat haar in het gegeven geval dan ook minder om de ingebruikgeving van de zolderkamer op zichzelf – hoewel niet eerst toestemming is gevraagd – maar meer om het feit dat [gedaagde] dit heeft gedaan aan een hem kennelijk onbekende man en zonder dat [gedaagde] verder toezicht heeft gehouden op het gebruik van die zolderkamer en zonder de betreffende persoon noodzakelijke voorzieningen te bieden. Dat had onder meer tot gevolg dat deze man op de zolderkamer zijn gang kon gaan met een barbecue, met alle brandgevaar van dien en dat hij zo zijn eigen oplossingen voor toiletproblemen is gaan creëren.

(…)

et incident met de in gebruik gegeven zolderkamer waarmee “de maat vol was” is echter geheel anders van karakter en valt daarom niet goed te plaatsen onder het niet nakomen van gemaakte afspraken met [eiser] c.q. de GGD voor wat betreft het houden en voeren van dieren. Al met al wordt geoordeeld dat, gelet op het door [eiser] ingezette verbeteringstraject, het ingebruikgevingsincident tezeer op zichzelf staat om als druppel te dienen die de emmer van de voorafgaande incidenten c.q. niet of niet volledig nagekomen afspraken zou kunnen doen overlopen, terwijl het als tekortkoming op zichzelf beschouwd onvoldoende oplevert voor een ontruiming. Daarbij speelt een rol dat [gedaagde], naar het zich laat aanzien, bij het onderdak bieden aan de betreffende dakloze zonder persoonlijk belang en, ten aanzien van de consequenties, naïef heeft gehandeld, terwijl bovendien, blijkens mondelinge toelichting ter zitting, een vergelijkbaar geval bij de buurman/vrouw met een waarschuwing is afgedaan. Dat betekent wel dat een herhaling van dergelijk gedrag tot een ander oordeel zou kunnen leiden.

De rechter komt tot de volgende conclusie:

Het bovenstaande betekent dat er thans onvoldoende aanleiding is gebleken voor een voorlopige maatregel van ontruiming in afwachting van een beslissing in een bodemprocedure. Dat wil niet zeggen dat er niet van enige aanleiding voor de gevraagde voorziening is gebleken en [gedaagde] dient zich dan ook goed te realiseren dat nieuwe incidenten of gedrag in strijd met de huurovereenkomst en eerder gemaakte afspraken een vordering tot ontruiming alsnog toewijsbaar kunnen doen maken.

De vordering tot ontruiming wordt afgewezen.

Zie LJN: BR2173.