Woning na drugshandel en overlast gesloten op grond van art. 174a Gemeentewet en 13b Opiumwet

De burgemeester van Leiden sluit een woning voor de duur van zes maanden op grond van art. 174a Gemeentewet (de Wet Victoria) en art. 13b Opiumwet (de Wet Damocles). In en rond de woning wordt drugs verhandeld en veroorzaken bezoekers (‘ongure types’) overlast. De rechtbank acht deze sluiting rechtmatig. Lees verder

Woningsluiting een half jaar na vondst hennepkwekerij is onrechtmatig

In mei 2011 wordt in een huurwoning een hennepkwekerij gevonden. De burgemeester van Roermond besluit vervolgens op 4 januari 2012 (dus meer dan een half jaar later) de woning te sluiten op grond van art. 13b Opiumwet.

De voorzieningenrechter is van mening dat de burgemeester in het geval van een hennepkwekerij de bevoegdheid heeft om een woning te sluiten op grond van art. 13b Opiumwet. De burgemeester heeft  in dit geval echter art. 8 EVRM onvoldoend in de besluitvorming meegewogen:

10.   Over de toets aan artikel 8 van het EVRM overweegt de rechter (mede onder verwijzing naar eerder genoemde uitspraak van 27 juli 2011) dat, indien niet in de beleidsregels is neergelegd dat die toetsing moet plaatsvinden, het de taak van verweerder (dan wel de rechter) is die afweging te maken bij de beantwoording van de vraag of er in het concrete geval reden is van de beleidsregels af te wijken.

11.  In de beleidsregels van verweerder ontbreekt een toetsing aan artikel 8 van het EVRM of de opdracht die te verrichten. In de beleidsregels wordt alleen gewezen op het bepaalde in artikel 4:82 en 4:84 van Awb, waarin is bepaald dat voor de motivering van een besluit kan worden volstaan met verwijzing naar beleidsregels en dat het bestuursorgaan steeds overeenkomstig de beleidsregels handelt, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. In de beleidsregels wordt niet of nauwelijks omschreven wat moet worden verstaan onder “de met de bevoegdheidsuitoefening in het algemeen belang nagestreefde doeleinden”. Dit heeft tot gevolg dat onduidelijk blijft welke algemene belangen moeten worden afgewogen tegen het belang van een betrokkene die wordt geconfronteerd met een inbreuk op zijn woonrecht.

12.  Nu uit de beleidsregels niet volgt hoe de in het algemeen belang nagestreefde doeleinden moeten worden afgewogen tegen de belangen van degene die door de sluiting wordt getroffen, zal verweerder die belangen in de concrete besluitvorming moeten benoemen en tegen elkaar moeten afwegen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is die afweging in het besluit summier te noemen. In het bestreden besluit heeft verweerder over het algemene belang bij sluiting gesteld dat handel in (soft)drugs (anders dan in gedoogde coffeeshops) verboden is en dat de handel in verdovende middelen een onaanvaardbare reflexwerking op de woonomgeving heeft. Vervolgens heeft verweerder, zonder dat op de concrete omstandigheden waarin verzoeker verkeert wordt ingegaan, besloten in afwijking van de beleidsregels de sluiting van de woning van verzoeker te beperken tot drie maanden. Reden daarvoor is dat verzoeker een zogenoemde first offender is. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde er voorts op gewezen dat verweerder niet tot sluiting van een jaar heeft besloten vanwege de ingrijpendheid van de maatregel. Hoewel dit in het voordeel van verzoeker is, werpt dit naar het oordeel van de rechter wel de vraag op of verweerder niet de uitzondering (sluiting van een jaar) in plaats van de hoofdregel (sluiting van drie maanden) in de beleidsregels heeft opgenomen. Voor veruit de meeste gevallen zal immers opgaan dat de betrokkene een “first offender” is en de maatregel tot sluiting van de woning ingrijpende consequenties heeft.

Daarnaast is de voorzieningenrechter kritisch op de lange tijd tussen vondst van de hennepkwekerij en de sluiting. De sluiting zou niet meer nodig zijn:

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker terecht vraagtekens gezet bij de noodzaak van de sluiting, gelet op enerzijds het tijdsverloop sinds het voornemen en anderzijds de ontbindingsprocedure die vorig jaar in gang is gezet. Verweerders gemachtigde heeft hierover verklaard dat de besluitvorming zo lang heeft geduurd, omdat het beleid nieuw is en in meerdere zaken een bestuurlijke afweging moest worden gemaakt. Ondanks de ontbindingsprocedure en het tijdsverloop acht verweerder een sluiting nog steeds noodzakelijk. De rechter passeert deze argumenten. Het betreft hier een maatregel die reparatoir van aard is en geen punitief karakter mag krijgen. Niet voor niets is in de beleidsregels opgenomen dat voor toepassing van bestuursdwang in de vorm van sluiting wordt gekozen om verdere verwaarlozing van het pand en eventuele herhaling van de overtreding te voorkomen en ten slotte eventueel optredende maatschappelijke onrust weg te nemen. Na ontvangst van de politierapportage op 31 mei 2011 en na de aankondiging van het voornemen de woning te sluiten op 7 juli 2011, heeft verweerder tot maar liefst 4 januari 2012 gewacht met het nemen van het bestreden besluit. Dat de beleidsregels nieuw zijn is daarvoor een onvoldoende rechtvaardiging (nog daargelaten dat de beleidsregels al op 8 februari 2011 zijn vastgesteld). Inmiddels was bovendien bekend dat de woningbouwvereniging een ontbindingsprocedure was gestart en onweersproken is dat deze met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tot ontruiming van verzoekers woning zal leiden. Daardoor moet het risico op herhaling nihil worden geacht. Onder deze omstandigheden acht de rechter ontoereikend gemotiveerd dat een sluiting zich verdraagt met het reparatoire karakter van deze maatregel en dat de nadelige gevolgen van het besluit voor verzoeker niet onevenredig zouden zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Bij het te nemen besluit op bezwaar dient verweerder tevens te betrekken hetgeen onder rechtsoverweging 8 en 11 is overwogen.

Het besluit wordt geschorst.

Zie LJN: BV3586.

Woning op grond van 13b Opiumwet ten onrechte gesloten na telefoontaps drugsdealer

De burgemeester van Purmerend sluit een woning op grond van art. 13b Opiumwet. In de woning zou zijn gehandeld in harddrugs. In de woning zijn weliswaar geen drugs aangetroffen, maar uit telefoontaps en een aangetroffen geldbedrag leidt de burgemeester af dat is gehandeld in drugs.

De rechtbank acht dit niet rechtmatig:

2.9  De rechtbank stelt vast dat verweerder zich bij zijn besluit heeft gebaseerd op de bevindingen die in een strafrechtelijk onderzoek omtrent [naam zoon] bekend zijn geworden. Deze bevindingen zijn neergelegd in een informatierapport van 11 oktober 2010. Verder heeft verweerder op 23 november 2010 telefonisch contact gehad met de behandelend rechercheur. Vervolgens heeft verweerder nog een ongedateerd, op 15 december 2010 aan verweerder aangeboden proces-verbaal van de politie als aanvullende informatie ontvangen. Tot slot heeft verweerder bij het bestreden besluit gevoegd het proces-verbaal van 25 januari 2011 dat telefoon-taps bevat van 21 gesprekken die [naam zoon] voerde. Verweerder meent dat uit deze informatie duidelijk blijkt van handel bij de woning. De zoon van eisers maakte, blijkens de taps, vanuit de woning met zijn mobiele telefoon afspraken met klanten om cocaïne te leveren. De afspraken betroffen veelal de plaats van aflevering. Daarbij werd ook afgesproken bij [naam zoon] thuis of in de buurt van de woning. Verweerder verwijst daarbij naar een aantal specifieke taps waarin klanten naar de woning worden verwezen, dan wel naar een laantje vlak achter de woning. Vervolgens werden de opbrengsten van de drugshandel ook in de woning bewaard, zo is bij de huiszoeking gebleken. Verweerder stelt dat uit het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat de handel zich rondom de woning concentreerde waarbij in ieder geval het begin van de verkoophandelingen en de opslag van de resultaten van de handel in de woning plaatsvond. Verweerder wijst voorts op de jurisprudentie van de Afdeling. Daarin is bepaald dat onder verkoop, zoals bedoeld in artikel 13b, eerste lid van de Opiumwet, moet worden verstaan het totaal aan handelingen dat leidt tot de overdracht van de gekochte drugs (zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2003, LJN:AI0787).

De rechtbank is van oordeel dat de uit de processen-verbaal naar voren komende gegevens onvoldoende aantonen dat sprake is geweest van handel in cocaïne in de woning of op een bij de woning behorend erf. Zij overweegt daarbij het volgende. Uit de processen-verbaal leidt de rechtbank af dat [naam zoon] de afspraken met zijn klanten per mobiele telefoon maakte. Bij het maken van de afspraken was hij soms thuis maar, als hij vervolgens weg ging, soms ook op willekeurige andere plaatsen in de (wijde) omgeving. De rechtbank is van oordeel dat daarom niet de conclusie getrokken kan worden dat de handel in verdovende middelen steeds vanuit de woning startte. Blijkens de stukken is voorts in de periode waarin waarnemingen hebben plaatsgevonden, sprake geweest van 500 transacties. Van 21 daarvan heeft de politie op verzoek van verweerder als concreet bewijs van het belang van de woning voor de handel taps overgelegd. De rechtbank stelt evenwel vast dat slechts uit enkele daarvan kan worden opgemaakt dat werd afgesproken dat de cocaïne zou worden geleverd in de buurt van de woning. Veelal werd afgesproken dat de klanten op een andere locatie de cocaïne konden komen ophalen. In het strafvonnis worden ook vele afleverlocaties genoemd in en rond [woonplaats], maar worden het [adres eisers] of het achter de woning gelegen [laantje] niet genoemd. De stelling van verweerder dat de aflevering voornamelijk in of althans nabij de woning plaatsvond acht de rechtbank derhalve evenmin aangetoond. Dit wordt ook nog eens bevestigd door het feit dat in de woning geen drugs zijn aangetroffen en door de verklaringen van omwonenden die allen stellen nooit iets van de handel van [naam zoon] gemerkt te hebben en nooit enige overlast te hebben ondervonden. Enig concreet aanknopingspunt in de woning zou kunnen zijn het relatief grote geldbedrag dat aldaar is gevonden. Uit het dossier blijkt echter niet dat het gevonden geldbedrag met zekerheid afkomstig was van de handel in drugs. Eisers hebben ter zitting gesteld dat hun zoon in 2010 een geldlening heeft afgesloten en dat het aangetroffen geld daarvan afkomstig zou kunnen zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op het vorenstaande niet worden gesteld dat de woning van eisers een grote rol heeft gespeeld in de drugshandel van [naam zoon] en dat sprake is van een drugspand, zoals bedoeld in het Handhavingsbeleid. Van langdurige bekendheid van de woning als (drugs)pand, van aantrekkingskracht daarvan op de doelgroep en van de noodzaak tot het herstellen van de rust in de woonomgeving is in deze ook geen sprake. De verwijzing van verweerder naar de laatstgenoemde uitspraak van de Afdeling werpt geen ander licht op de zaak. In het daar voorliggende geval was sprake van een horeca-inrichting en vond in het pand meermalen overleg plaats tussen kopers en verkopers van middelen waarbij de drugs vervolgens uit een nabij gelegen woning in de directe omgeving werden gehaald. De kopers en verkopers kwamen derhalve voor de verkoop in het pand bijeen. Daaruit mocht, naar het oordeel van de Afdeling, worden afgeleid dat structureel sprake was van verkoop van die middelen vanuit de inrichting. De genoemde zaak wijkt daarmee op essentiële punten af van de hier aanhangige.

Zie LJN: BU7631.