Verhuurder vaak effectiever in aanpak woonoverlast dan burgemeester

Het lijkt zo dat verhuurders vaak sneller op kunnen treden tegen woonoverlast en andere verstoringen van de (openbare) orde dan de burgemeester. De zaak tussen de vader van twee ’treiterbroers’ uit Utrecht bewijst dat. Ik schreef eerder over deze zaak.

Een iets uitgebreidere bespreking en wat commentaar:

De woningstichting Mitros pakt hier de vader van twee zeer overlastgevende zoons aan. Als gevolg van overlast, geweld en pesterijen vertrekken meerdere gezinnen uit de desbetreffende Utrechtste wijk. De media duiken op de ‘treiterbroers’ en Tweede Kamerleden stellen vragen aan de minister van Binnenlandse Zaken. De Utrechtse burgemeester stelt dat het lastig is om de overlastveroorzakers aan te pakken, hetgeen hem niet in dank wordt afgenomen: hem is in kranten verweten niet hard genoeg op te treden (zie http://www.rtvutrecht.nl/nieuws/243070; Kamerstukken II 2010-2011 Aanhangsel, nr. 779; ‘Aleid Wolfsen de mooiprater’, De Pers 1 december 2010).

Het lukt uiteindelijk de woningstichting Tiwos om de broers samen met hun vader uit de wijk te laten vertrekken. De kantonrechter wijst in kortgeding een vordering tot ontruiming van de huurwoning toe. Deze oplossing van het probleem is zeer waarschijnlijk sneller mogelijk dan bijvoorbeeld een burgemeestersluiting op grond van art. 174a Gemeentewet (zeker na de strenge voorwaarden daarvoor, zoals vastgesteld in ABRvS 1 december 2010, JG 11.018 m. nt. M. Vols en ABRvS 16 februari 2011, LJN: BP4697).

De onderliggende uitspraak toont daarom aan dat (gemeentelijke) overheden en private partijen zoals woningcorporaties samen moeten optrekken om overlast en buurtterreur aan te pakken (zie hieromtrent bijvoorbeeld ook Hof ’s-Hertogenbosch 4 januari 2011, LJN: BP1008).

Een laatste interessant punt is dat één van de weggepeste gezinnen heeft aangekondigd een juridische procedure tegen de gemeente Utrecht en de Staat der Nederlanden te beginnen. Volgens de slachtoffers heeft de overheid te weinig gedaan om hun recht op eerbiediging van het privéleven te beschermen. Dit is te kenmerken als het niet nakomen van een positieve verplichting tot bescherming van het privéleven die voortvloeit uit art. 8 EVRM (zie http://www.openbareorderecht.nl/?p=1176). Het is afwachten of deze vordering succesvol zal zijn. Positief voor de slachtoffers is dat Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in 2010 heeft geoordeeld dat deze verplichting in beginsel voor de gemeentelijke overheid bestaat bij de aanpak van overlast (zie Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 6 oktober 2010, JG 11.001 m. nt. M. Vols).

Michel Vols, mvols@openbareorderecht.nl

Voor meer debat, klik hier