Hoarders en rechten: hoe om te gaan met verzamelwoede en vervuiling in woningen

overlastWoningen kunnen soms zwaar vervuild zijn of volgestopt worden met spullen. Deze vervuiling veroorzaakt stankoverlast en trekt ongedierte aan. Bovendien kan er sprake zijn van brandgevaar. In sommige gevallen is de verzameling het gevolg van psychische problemen van de bewoner van de woning. Zo kan het obsessief verzamelen van spullen soms als ‘hoarding disorder‘ worden aangemerkt. Veelal proberen gemeenten en verhuurders de problemen in samen werking met (bemoei)zorg aan te pakken. Soms is echter ook de inzet van zwaardere instrumenten nodig. Eerder schreef ik al over de inzet van deze bestuursrechtelijke en huurrechtelijke instrumenten bij verzamelwoede en vervuiling. Recente jurisprudentie toont aan dat soms ‘met succes’ wordt opgetreden en dat in andere gevallen de rechter de gemeente/verhuurder terugfluit. Lees verder

Rechtbank: aanwezigheid handelshoeveelheid drugs onvoldoende voor sluiting 13b Opiumwet

De Rechtbank Haarlem acht de sluitingen van twee woningen onrechtmatig. Volgens de rechtbank is het enkel aantreffen van een handelshoeveelheid drugs in de woning niet voldoende om op grond van art. 13b Opiumwet te sluiten. De rechtbank is ook van mening dat een hennepkwekerij op grond van art. 17 Woningwet gesloten moet worden. Lees verder

Kamervragen inzet art. 13b van de Opiumwet bij hennepteelt

Vragen van de leden Koopmans en Çörüz (beiden CDA) aan de ministers van Veiligheid en Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over wietteelt in woningen (ingezonden 15 maart 2011).

Antwoord van minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) (ontvangen 20 april 2011)

Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 2074

Vraag 1

Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechter inzake het niet sluiten van een woonhuis waar hennepplanten zijn aangetroffen1 en van het artikel «Venlo mag «hasjpand» niet sluiten»?2

Antwoord 1

Ja.

Vraag 2, 3

Hoe kijkt u aan tegen de vraag of artikel 13b van de Opiumwet gebruikt kan worden voor het aanpakken van illegale wietteelt in woningen? Deelt u de opvatting dat, als het kunnen gebruiken van artikel 13b van de Opiumwet niet aan de orde is, het noodzakelijk is om met een wetswijziging te komen die het mogelijk maakt om in het geval van (bedrijfsmatige) teelt van verdovende middelen in een woning het pand door de gemeente (tijdelijk) te laten sluiten?

Antwoord 2, 3

Het telen van hennep is een strafbaar feit. Voor de bestrijding van deze vorm van criminaliteit biedt de Opiumwet een ruim strafrechtelijk instrumentarium. Artikel 13b van de Opiumwet is als bestuursrechtelijk instrument in de wet opgenomen om te kunnen optreden tegen ongewenste situaties die met inzet van het strafrecht niet duurzaam konden worden beëindigd. Dit betreft situaties waarbij het strafrechtelijk optreden, dat per definitie is gericht tegen de dader, niet kan verhinderen dat zijn plaats onmiddellijk wordt ingenomen door een derde die de criminele activiteiten voortzet. Dat is ook de reden dat artikel 13b is beperkt tot het verkopen, afleveren en verstrekken van drugs. Het telen van hennep in woningen kan adequaat worden beëindigd met behulp van artikelen 3 jo 11 van de Opiumwet. Daarbij wordt de hele kweekinstallatie ontmanteld en worden de planten en al het materiaal dat voor het telen is gebruikt in beslag genomen. Daarmee wordt tevens voorkomen dat de verboden activiteit wordt voortgezet door een derde. Voor de goede orde wijs ik overigens op een ontwikkeling in de jurisprudentie (zie bijvoorbeeld LJN: BN8193 en LJN: BO4798) waarin wordt geoordeeld dat artikel 13b van de Opiumwet kan worden toegepast ten aanzien van een woning in geval van hennepteelt, als aannemelijk is dat de in die woning aangetroffen hennepplanten een handelshoeveelheid betreffen. Tenslotte vermeld ik nog dat de burgemeester met toepassing van bestuursdwang kan overgaan tot het sluiten van een woning op grond van artikel 17 van de Woningwet (artikel 97 van de Woningwet oud), als bij het telen van hennep in die woning sprake is van gevaarzetting en een klaarblijkelijk gevaar op herhaling van de overtreding bestaat. Tegen deze achtergrond zie ik geen aanleiding de reikwijdte van artikel 13b van de Opiumwet te wijzigen.

Zie hier. Deze beantwoording is in tegenspraak met de recente uitspraak van een voorzieningenrechter uit Roermond. Die stond sluiting op grond van art. 13b Opiumwet wel toe.

Rechter staat sluiting van hennepkwekerij op grond van 13b Opiumwet toe

De burgemeester van Venlo sluit op grond van art. 13b Opiumwet (de wet Damocles) een woning waarin een hennepkwekerij is aangetroffen. De bewoner van de woning verzoekt om een voorlopige voorziening. Volgens hem is de burgemeester volgens recente rechtspraak niet bevoegd om de woning te sluiten op grond van art. 13b Opiumwet.

De voorzieningenrechter acht de burgemeester wel bevoegd:

5.3.  Anders dan de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de hiervoor genoemde uitspraak van 3 maart 2011, is de rechter thans (voorlopig) van oordeel dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid hennep(planten) voldoende basis vormt voor toepassing van artikel 13b van de Opiumwet nu het aantreffen van een handelshoeveelheid hennepplanten erop duidt dat deze aanwezig was om te worden verkocht, afgeleverd of verstrekt in de zin van dat artikel. De mogelijke twijfel, die de kamerstukken kunnen oproepen ten aanzien van de reikwijdte van artikel 13b geeft de rechter geen aanleiding voor een beperktere uitleg dan uit de tekst van dat artikel voortvloeit. Daarbij is in aanmerking genomen dat het verworpen amendement “Teeven” (Tweede Kamer 2006-2007, 30 515, nr. 14) erop zag om de reikwijdte van artikel 13b van de Opiumwet uit te breiden tot teelt als zodanig, waaronder teelt voor eigen gebruik, en tot voorbereidingshandelingen voor hennepteelt. Aan de verwerping van dat amendement dient niet de gevolgtrekking te worden verbonden dat niet met bestuursdwang kan worden opgetreden tegen de aanwezigheid van een handelshoeveelheid hennepplanten in woningen en lokalen dan wel in of op bij woningen en lokalen behorende erven.

5.4.  Uit het voorgaande volgt naar het voorlopig oordeel van de rechter dat verweerder in het onderhavige geval bevoegd was om met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet tot sluiting van verzoekers woning over te gaan.

Toch treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening:

6.4.  Voorlopig oordelend komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat onverkorte toepassing van de beleidsregels in een geval als het onderhavige geen recht doet aan het reparatoire karakter van artikel 13b van de Opiumwet of in ieder geval dat dit onvoldoende is onderbouwd. Gelet op de ingrijpende gevolgen voor de situatie van verzoekers en hun kinderen, volstaat een verwijzing naar het beleid en de daarbij gemaakte algemene belangenafweging niet. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat en waarom de weging van het algemeen maatschappelijk belang om drugsoverlast en –handel terug te dringen enerzijds tegenover de persoonlijke gevolgen voor verzoekers en hun kinderen en de schending van artikel 8 van het EVRM anderzijds sluiting van de woning voor de duur van een jaar zonder voorafgaande waarschuwing rechtvaardigt. Verweerder heeft in zoverre in strijd met zijn eigen beleidsuitgangspunt dat bij sluiting van woningen een verzwaarde motiveringseis geldt, de maatregel niet voldoende gemotiveerd voor het concrete geval. Ook heeft verweerder in het geheel geen aandacht besteed aan het feit dat de hiervoor weergegeven argumenten voor de toepassing van het “one strike you are out” principe voor de sluiting van woningen voor het onderhavige geval niet opgaan. De woning van verzoekers wordt namelijk uitdrukkelijk wel in overeenstemming met haar maatschappelijke functie gebruikt. Verder is van belang dat het in het onderhavige geval op geen enkele wijze gebleken is dat de woning bekend staat als drugsadres van waaruit individuele handel plaats vond dan wel dat onrust in de directe omgeving tegengegaan diende te worden.

Zie LJN: BQ3814.

Zie ook LJN: BQ3816 waarin geen voorlopige voorziening wordt getroffen.

Het is afwachten of de rechtbank in de beroepsprocedure dezelfde lijn als de voorzieningenrechter zal volgen. Door de onenigheid tussen de voorzieningenrechters blijft het nog onduidelijk of art. 13b Opiumwet te gebruiken is binnen de aanpak van hennepkwekerijen. Uiteindelijk zal de Afdeling uit moeten maken of 13b Opiumwet in te zetten is.

Hennepkwekerij mag niet gesloten worden op grond van 13b Opiumwet

De burgemeester van Venlo sluit een woning waar een hennepkwekerij is aangetroffen op grond van art. 13b Opiumwet. De voorzieningenrechter overweegt:

“Gelet op voorgaande onderdelen van de wetsgeschiedenis is de rechter voorshands van oordeel dat het huidige artikel 13b van de Opiumwet niet strekt tot het terugdringen van de illegale wietteelt in woningen. De kamerstukken zijn niet geheel eenduidig over de toepasbaarheid van artikel 13b van de Opiumwet bij hennepkwekerijen. In eerste instantie lijkt de minister zonder voorbehoud te stellen dat bij het sluiten van een woning vanwege een hennepkwekerij de Woningwet van toepassing is. Vervolgens lijkt het antwoord te impliceren dat hennepteelt wel onder de reikwijdte van artikel 13b van de Opiumwet valt. Er is ruimte voor twijfel wat de wetgever heeft bedoeld. Gelet op de aanvankelijke stelligheid van de minister dient deze twijfel – in het kader van dit verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening – in het voordeel van verzoekers uit te vallen. De voorlopige conclusie van de rechter is dan ook dat artikel 13b van de Opiumwet geen bevoegdheid geeft om een woning te sluiten vanwege een hennepkwekerij. De rechter ziet haar oordeel bevestigd door het feit dat het hiervoor genoemde amendement dat, blijkens de toelichting daarvan, beoogde dat het telen van wiet in woningen, de illegale wiethandel, eveneens onder het bereik van de toe te passen bestuursdwang ex artikel 13b van de Opiumwet zou komen te vallen, is verworpen. Verweerders verwijzing ter zitting naar de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 24 september 2010, LJN: BN8193, -waarbij de rechtbank oordeelde dat, in het geval dat sprake is van een handelshoeveelheid hennepplanten, geen bewijs voorhanden hoeft te zijn dat daadwerkelijk hennep is verkocht, afgeleverd of verstrekt- kan niet tot een ander oordeel leiden.”

Het besluit van de burgemeester wordt geschorst.

Zie LJN: BP6668.

Zie over gebruik van art. 13b Opiumwet, hennepteelt en wietkwekerijen ook:

LJN: BO4798

LJN: BO5282

LJN: BO3007

LJN: BN8193