Beroep tegen verstreken huisverbod moet behandeld worden

De burgemeester van Hoogeveen legt een man een tijdelijk huisverbod op. De man stelt bij de voorzieningenrechter beroep in. Aangezien het verbod ten tijde van de behandeling niet meer geldt, behandelt de voorzieningenrechter dit beroep niet. De Afdeling acht dit echter niet rechtmatig:

“Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat hoewel het huisverbod op 7 juli 2009 is geëindigd, [appellant] nog een rechtens te beschermen belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van de besluiten tot het opleggen en het verlengen van deze maatregel. Daarbij is redengevend dat een huisverbod, gelet op de gronden waarop dit wordt opgelegd, een publiekelijke afwijzing van het gedrag van de uithuisgeplaatste impliceert. Gelet hierop is tot op zekere hoogte aannemelijk dat [appellant] als gevolg van het hem opgelegde huisverbod in zijn eer en goede naam is geschaad. Naar het oordeel van de Afdeling kan het resultaat dat [appellant] nastreeft, te weten vernietiging van deze besluiten, om die reden voor hem van meer dan principiële betekenis zijn. [appellant] kan derhalve in zijn beroepen worden ontvangen.”

Het hoger beroep is gegrond: het beroep tegen het huisverbod moet worden behandeld.

Zie LJN: BM4973

Vier rechtszaken over tijdelijk huisverbod: één huisverbod vernietigd

De Rechtbank Amsterdam spreekt zich in 2010 meerdere malen uit over de rechtmatigheid van tijdelijke huisverboden. Een aan een man opgelegd huisverbod blijft bij de rechtbank in stand. De man gebruikt meerdere malen geweld tegen zijn ouders. Zie LJN: BM1077. Een huisverbod voor een vrouw die haar kinderen mishandeld, acht de Amsterdamse Rechtbank ook rechtmatig. Zie LJN: BM1415.

Een andere man slaat zijn vrouw en krijgt eveneens een huisverbod opgelegd. De man klaagt dat inbreuk wordt gemaakt op zijn recht op eerbiediging van het privéleven. De rechtbank stelt daarover:

“Met de man is de rechter van oordeel dat een tijdelijk huisverbod inbreuk maakt op het recht van de man op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer en op zijn recht op ongestoord huisgenot. De man heeft ter zitting uiteen gezet, dat zijn afwezigheid in de woning voor hem overlast meebrengt. Die bestaat er onder meer uit dat hij een zwervend bestaan leidt, waardoor hij moeite heeft tijdig zijn post te ontvangen. Dit is voor de man hinderlijk in verband met het scholingstraject dat hij in het kader van zijn uitkering volgt. Bovendien mist hij het contact met zijn kinderen.
Tegenover dit nadeel van de man staat echter het belang van de vrouw bij persoonlijke veiligheid en het belang van de kinderen bij psychische veiligheid en een stabiele leefomgeving.
Naar het oordeel van de rechter kan niet worden gezegd, dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen het nadeel van de man zwaarder had moeten laten wegen dan de veiligheid van de vrouw en de kinderen. Naar het oordeel van de rechter heeft verweerder in redelijkheid tot de gemaakte afweging kunnen komen.
Voorts is niet gesteld of gebleken dat een ander middel dan een tijdelijk huisverbod gezien de omstandigheden op 14 december 2009 meer passend was.
De inbreuk op de rechten van de man wordt naar het oordeel van de rechter dan ook gerechtvaardigd door het met die inbreuk te dienen doel. Voorts onderschrijft de rechter de stelling van de man dat het huisverbod in strijd is met de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit niet.”
Het huisverbod blijft in stand. Zie LJN: BM1080. Dat geldt niet voor een ander tijdelijk huisverbod. Een man wordt hier verdacht van het mishandelen van een vrouw en kind. De vrouw legt daarover inconsistente verklaringen af bij de politie. De man zelf ontkent de mishandelingen. De rechtbank is niet overtuigd dat de man een onmiddelijk dreigend gevaar voor de vrouw en kind oplevert:
“De rechter acht aannemelijk dat de man en de vrouw op 10 februari 2010 onenigheid hebben gehad en dat de man de vrouw en het kind van zich af heeft geduwd dan wel gegooid en daarna, na een woordenwisseling, tegen de koelkast heeft getrapt.
In de afgelegde verklaringen ziet de rechter echter geen grond voor de conclusie dat hij hen heeft geslagen, terwijl er evenmin aanwijzingen zijn dat het duwen dan wel gooien met veel geweld gepaard is gegaan. Van bedreiging van het kind met de dood is voorts niet gebleken.
Evenmin acht de rechter aannemelijk dat de man zich in het verleden gewelddadig tegenover de vrouw en het kind heeft gedragen, anders dan verbaal. De stellingen van de vrouw op dit punt zijn onvoldoende geconcretiseerd naar tijd, plaats en aard en evenmin onderbouwd, bijvoorbeeld met verklaringen van familie of bekenden of van instanties, zoals school.
Voorts is in het RiHG op bepaalde punten informatie opgenomen die geen steun vindt in de processen-verbaal die daaraan ten grondslag liggen.
De rechter is, het geheel overziende, van oordeel dat verweerder niet op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden tot het ernstig vermoeden heeft kunnen komen dat de aanwezigheid van de man in de woning een onmiddellijk dreigend gevaar voor de vrouw en het kind opleverde. De motivering die verweerder voor dat vermoeden heeft gegeven is daartoe onvoldoende.
Hij heeft zich dan ook ten onrechte bevoegd geacht tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod.”
Het huisverbod wordt vernietigd. Zie LJN: BM1408

Woningcorporaties zetten zich in tegen huiselijk geweld

Het Ministerie van VROM meldt op zijn website:

“Ruim dertig woningcorporaties sluiten zich aan bij een initiatief om kindermishandeling en huiselijk geweld sneller te signaleren. De Haarlemse corporatie Elan Wonen, onder andere actief in 40+ wijk Zomerzone, ontwikkelde hiervoor een speciale meldcode. Doel van de code is dat medewerkers sneller en professioneler handelen bij een vermoeden van huiselijk geweld. Met het introduceren van de meldcode geven woningcorporaties aan een belangrijke bijdrage te willen leveren in de strijd tegen dit maatschappelijk probleem.
Woningcorporaties werken midden in wijken en buurten en komen regelmatig bij bewoners thuis. Zo kunnen ze snel signalen van huiselijk geweld oppakken en melden. Met de introductie van de meldcode willen woningcorporaties een waardevolle bijdrage leveren aan de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling door de ministeries van Justitie, Jeugd en Gezin en VWS. Zij ontwikkelden een landelijke meldcode, die naar verwachting nog dit jaar verplicht wordt voor gezondheidszorg, onderwijs en kinderopvang, maatschappelijke ondersteuning, jeugdzorg en justitie. Omdat de landelijke meldcode van de overheid niet verplicht is voor corporaties, ontwikkelde Elan Wonen de eigen meldcode.
Samen met branchevereniging Aedes introduceerde de Haarlemse corporatie de meldcode bij alle collega’s in het land. Inmiddels nemen steeds meer corporaties de meldcode over. Elan Wonen benadrukt dat woningcorporaties huiselijk geweld of kindermishandeling niet kunnen voorkomen of oplossen. Directeur Grischa Lowinsky: “Wij kunnen ons uitsluitend richten op het signaleren en melden ervan. Onderdeel van de meldcode is een speciale training, waarin wij onze medewerkers leren welke signalen duiden op huiselijk geweld.”
Branchevereniging Aedes is enthousiast over het initiatief van Elan Wonen en prijst de Haarlemse corporatie hiervoor. De brancheclub spoort alle leden aan de meldcode te hanteren. Aedes-voorzitter Marc Calon: ‘Corporaties doen meer dan alleen stenen stapelen en woningen beheren. Een thuis is meer dan een huis. Onze leden zetten zich in om bewoners een gezonde en veilige woonomgeving te bieden. Meehelpen om huiselijk geweld en het mishandelen van kinderen een halt toe te roepen, past bij de sociale taak van corporaties.”
Zie hier.

Tijdelijk huisverbod vernietigd wegens verkeerd invullen RiHG

De burgemeester van de gemeente Hilversum legt een man een tijdelijk huisverbod op. Er heeft zich namelijk een gewelddadig incident voorgedaan:

“De vrouw heeft toen verklaard dat zij een conflict met de man heeft gehad over koffie en naar aanleiding daarvan door hem aan haar benen van de bank af is gesleurd en hardhandig de woning is uitgeduwd. Vervolgens is zij buiten door hem in het gezicht geslagen en kreeg zij koud water over zich heen gegooid, aldus de vrouw.”

De man gaat tegen het huisverbod in beroep. De voorzieningenrechter vernietigt vervolgens het huisverbod, wegens motiveringsgebreken. Deze gebreken zijn veroorzaakt door het fout invullen van het Risico-taxatie-instrument Huiselijk Geweld (RiHG):

“Een inbreuk op grondrechten zoals het huisrecht dient goed gemotiveerd zijn. Naar het oordeel van de rechter laat de motivering van het besluit de man een huisverbod op te leggen ernstig te wensen over. Het door de verweerder in te vullen RiHG is een belangrijk hulpmiddel bij de beoordeling van de vraag of de aanwezigheid in de woning van de persoon die het besluit betreft ernstig en onmidellijk gevaar oplevert in de zin van artikel 2 Wth. De feiten die in het RiHG zijn opgevoerd zijn niet terug te voeren op concrete feiten of omstandigheden. Ook in het proces-verbaal van bevinden van de hulpofficier van justitie en de verbalisanten wordt geen dan wel onvoldoende helderheid over de aard van eerdere incidenten gegeven.
Voorts overweegt de rechter met betrekking tot punt 1 van het RiHG dat de poging tot doodslag die daar als geweldsincident in het verleden is opgevoerd door de man uitvoerig gemotiveerd is betwist. De rechter ziet daarin aanleiding om aan dit door verweerder opgevoerde antecedent voorbij te gaan. Ook de verklaring van de man voor de melding ‘geweld tegen zus’ komt de rechter niet onaannemelijk voor. Verdere voor het huisverbod relevante antecedenten zijn door verweerder niet vermeld.
De rechter acht voor de beslissing tevens van belang dat er fouten zijn gemaakt bij het gebruik van het RiHG. Bij het tweede beoordelingsmoment had blijkens de toelichting aangegeven dienen te worden dat bij de geconstateerde signalen het risico laag was. Dit is door de hulpofficier van justitie fout ingevuld. Ook is een aantal vragen in het RiHG, namelijk 16, 18 en 19 niet volledig ingevuld. Er is geen driehoekje, hokje of rondje ingevuld, terwijl bij deze vragen wel is aangenomen en vermeld dat er sprake is van een risico. De rechter acht deze wijze van hantering van het RiHG hoogst onzorgvuldig.”

Zie LJN: BM1208

Verlenging tijdelijk huisverbod rechtmatig

In januari 2010 legt een loco-burgemeester een tijdelijk huisverbod op aan een man. Hij verlengt het huisverbod vervolgens met tien dagen op basis van artikel 9 van de Wet tijdelijk huisverbod. De man stelt dat dit verlengingsbesluit niet rechtsgeldig is aangezien de loco-burgemeester het besluit heeft genomen. De voorzieningenrechter stelt daarentegen dat de loco-burgemeester deze bevoegdheid middels een mandaatsbesluit toekomt.

De man stelt vervolgens dat hij niet meer in het betreffende huis staat ingeschreven: zijn moeder heeft hem uit het GBA laten uitschrijven als bewoner. Volgens de man kan het huisverbod daarom niet in stand blijven. De voorzieningenrechter stelt:

“De omstandigheid dat verzoeker naar eigen zeggen door zijn moeder is uitgeschreven uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) en ook overigens niet meer feitelijk bij zijn moeder woonachtig is, betekent niet dat verweerder niet tot verlenging van het huisverbod heeft kunnen beslissen. Immers, ingevolge artikel 2 van de Wth kan een huisverbod worden opgelegd aan een persoon indien diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de medebewoners. Niet vereist is dat de uithuisgeplaatste op het adres van die woning staat ingeschreven. Het gaat om de woning waar de uithuisgeplaatste feitelijk woont. Ter terechtzitting heeft verzoeker bovendien verklaard dat hij momenteel tijdelijk in een portiek dan wel bij vrienden verblijft en dat hij naar de woning van zijn moeder wenst terug te keren.”

Het besluit tot verlenging is volgens de voorzieningenrechter rechtmatig genomen:

“Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder derhalve aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen dat de achterblijver c.q. de moeder van verzoeker gebaat is bij een verlenging van het huisverbod om haar in de verlengingsperiode door middel van het inzetten dan wel voortzetten van hulpverlening nog weerbaarder te maken tegen de uithuisgeplaatste. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder daarmee zijn bevoegdheid tot het verlengen van het huisverbod niet gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.”

Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Zie LJN: BL4403