Eigenaar stal met hennepkwekerij hoeft schade aan derden niet te vergoeden

In een oude stal wordt door een huurder een hennepkwekerij ingericht. In de stal breekt een brand uit . De eigenaar van een omliggend perceel leidt schade:  zijn oogst wordt vernietigd. De eigenaar van de stal zegt van niets te weten van de hennepkwekerij. Het gerechtshof wijst het verzoek tot schadevergoeding af. Meer

Verzamelwoede huurder (hoarding) leidt tot schadepost van 16000 euro bij verhuurder

Een verhuurder wil een woning slopen en spreekt met de huurder af om de verhuizing te organiseren en te betalen. Huurder krijgt ook een nieuwe woning. De oude woning blijkt echter helemaal vol spullen te staan. Huurder heeft 150 m3 spullen verzameld. De verhuizing kost daarom meer dan 16.000 euro en sommige spullen worden opgeslagen. De verhuurder weigert vervolgens om de spullen naar het nieuwe huis van huurder te brengen.

De voorzieningenrechter verplicht de verhuurder om de spullen naar een opslagplaats van de huurder te brengen.

Zie LJN: BO8981.

Een typisch geval van verzamelwoede (ook wel hoarding) genoemd.

Woningsluiting een half jaar na vondst hennepkwekerij is onrechtmatig

In mei 2011 wordt in een huurwoning een hennepkwekerij gevonden. De burgemeester van Roermond besluit vervolgens op 4 januari 2012 (dus meer dan een half jaar later) de woning te sluiten op grond van art. 13b Opiumwet.

De voorzieningenrechter is van mening dat de burgemeester in het geval van een hennepkwekerij de bevoegdheid heeft om een woning te sluiten op grond van art. 13b Opiumwet. De burgemeester heeft  in dit geval echter art. 8 EVRM onvoldoend in de besluitvorming meegewogen:

10.   Over de toets aan artikel 8 van het EVRM overweegt de rechter (mede onder verwijzing naar eerder genoemde uitspraak van 27 juli 2011) dat, indien niet in de beleidsregels is neergelegd dat die toetsing moet plaatsvinden, het de taak van verweerder (dan wel de rechter) is die afweging te maken bij de beantwoording van de vraag of er in het concrete geval reden is van de beleidsregels af te wijken.

11.  In de beleidsregels van verweerder ontbreekt een toetsing aan artikel 8 van het EVRM of de opdracht die te verrichten. In de beleidsregels wordt alleen gewezen op het bepaalde in artikel 4:82 en 4:84 van Awb, waarin is bepaald dat voor de motivering van een besluit kan worden volstaan met verwijzing naar beleidsregels en dat het bestuursorgaan steeds overeenkomstig de beleidsregels handelt, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. In de beleidsregels wordt niet of nauwelijks omschreven wat moet worden verstaan onder “de met de bevoegdheidsuitoefening in het algemeen belang nagestreefde doeleinden”. Dit heeft tot gevolg dat onduidelijk blijft welke algemene belangen moeten worden afgewogen tegen het belang van een betrokkene die wordt geconfronteerd met een inbreuk op zijn woonrecht.

12.  Nu uit de beleidsregels niet volgt hoe de in het algemeen belang nagestreefde doeleinden moeten worden afgewogen tegen de belangen van degene die door de sluiting wordt getroffen, zal verweerder die belangen in de concrete besluitvorming moeten benoemen en tegen elkaar moeten afwegen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is die afweging in het besluit summier te noemen. In het bestreden besluit heeft verweerder over het algemene belang bij sluiting gesteld dat handel in (soft)drugs (anders dan in gedoogde coffeeshops) verboden is en dat de handel in verdovende middelen een onaanvaardbare reflexwerking op de woonomgeving heeft. Vervolgens heeft verweerder, zonder dat op de concrete omstandigheden waarin verzoeker verkeert wordt ingegaan, besloten in afwijking van de beleidsregels de sluiting van de woning van verzoeker te beperken tot drie maanden. Reden daarvoor is dat verzoeker een zogenoemde first offender is. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde er voorts op gewezen dat verweerder niet tot sluiting van een jaar heeft besloten vanwege de ingrijpendheid van de maatregel. Hoewel dit in het voordeel van verzoeker is, werpt dit naar het oordeel van de rechter wel de vraag op of verweerder niet de uitzondering (sluiting van een jaar) in plaats van de hoofdregel (sluiting van drie maanden) in de beleidsregels heeft opgenomen. Voor veruit de meeste gevallen zal immers opgaan dat de betrokkene een “first offender” is en de maatregel tot sluiting van de woning ingrijpende consequenties heeft.

Daarnaast is de voorzieningenrechter kritisch op de lange tijd tussen vondst van de hennepkwekerij en de sluiting. De sluiting zou niet meer nodig zijn:

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker terecht vraagtekens gezet bij de noodzaak van de sluiting, gelet op enerzijds het tijdsverloop sinds het voornemen en anderzijds de ontbindingsprocedure die vorig jaar in gang is gezet. Verweerders gemachtigde heeft hierover verklaard dat de besluitvorming zo lang heeft geduurd, omdat het beleid nieuw is en in meerdere zaken een bestuurlijke afweging moest worden gemaakt. Ondanks de ontbindingsprocedure en het tijdsverloop acht verweerder een sluiting nog steeds noodzakelijk. De rechter passeert deze argumenten. Het betreft hier een maatregel die reparatoir van aard is en geen punitief karakter mag krijgen. Niet voor niets is in de beleidsregels opgenomen dat voor toepassing van bestuursdwang in de vorm van sluiting wordt gekozen om verdere verwaarlozing van het pand en eventuele herhaling van de overtreding te voorkomen en ten slotte eventueel optredende maatschappelijke onrust weg te nemen. Na ontvangst van de politierapportage op 31 mei 2011 en na de aankondiging van het voornemen de woning te sluiten op 7 juli 2011, heeft verweerder tot maar liefst 4 januari 2012 gewacht met het nemen van het bestreden besluit. Dat de beleidsregels nieuw zijn is daarvoor een onvoldoende rechtvaardiging (nog daargelaten dat de beleidsregels al op 8 februari 2011 zijn vastgesteld). Inmiddels was bovendien bekend dat de woningbouwvereniging een ontbindingsprocedure was gestart en onweersproken is dat deze met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tot ontruiming van verzoekers woning zal leiden. Daardoor moet het risico op herhaling nihil worden geacht. Onder deze omstandigheden acht de rechter ontoereikend gemotiveerd dat een sluiting zich verdraagt met het reparatoire karakter van deze maatregel en dat de nadelige gevolgen van het besluit voor verzoeker niet onevenredig zouden zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Bij het te nemen besluit op bezwaar dient verweerder tevens te betrekken hetgeen onder rechtsoverweging 8 en 11 is overwogen.

Het besluit wordt geschorst.

Zie LJN: BV3586.

Gerechtshof: proportionaliteitstoets bij beoordeling buitengerechtelijke ontbinding 7:231 lid 2 BW vereist

De burgemeester sluit een huurwoning op grond van art. 13b Opiumwet. Vervolgens ontbindt de verhuurder de huurovereenkomst buitengerechtelijk op grond van art. 7:231 lid 2 BW (de Wet Victor). De rechtbank toetst vervolgens of deze buitengerechtelijke ontbinding proportioneel is. Dat blijkt het geval. Het Gerechtshof bevestigt dit vonnis. De belangrijkste passages uit het arrest:

8.  Volgens [appellant] is voor een buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst niet alleen vereist dat een (onherroepelijk en definitief) besluit tot sluiting is gegeven, maar ook dat komt vast te staan dat de openbare orde is verstoord. Het is aan de verhuurder om dat laatste aan te tonen. Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog, omdat het op een verkeerde lezing van artikel 7:228 lid 2 BW berust. Voor een sluitingsbevel op grond van artikel 13b Opiumwet is niet vereist dat de openbare orde is verstoord. Vereist is dat een middel als bedoeld in lijst I of II van die wet is verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe in de woning aanwezig is, kortom dat in strijd met artikel 2 of 3 Opiumwet is gehandeld. De tekst van artikel 7:231 lid 2 BW brengt dat ook tot uitdrukking door ten aanzien van een sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet te bepalen dat de verhuurder de overeenkomst kan ontbinden “op de grond dat (…) door gedragingen in strijd met artikel 2 of 3 van de Opiumwet is gehandeld en het desbetreffende gebouw deswege op grond van artikel 13b van die wet is gesloten (…)”. De openbare orde speelt alleen een rol bij de sluiting op grond van artikel 174a Gemeentewet. Dat ligt ook voor de hand omdat die bepaling de burgemeester juist de bevoegdheid geeft om vanwege gedragingen waardoor de openbare orde wordt verstoord een gebouw of erf te sluiten. Dat verstoring van de openbare orde bij een sluitingsbevel op grond van artikel 13b Opiumwet niet is vereist, volgt ook uit de parlementaire geschiedenis betreffende de laatste wijziging van die bepaling. In de memorie van toelichting op de wijziging (Kamerstukken II 2005/06, 30 515, nr. 3. p.2) is onder meer vermeld:
“Dit betekent dat de burgemeester voortaan uitsluitend wegens overtreding van de Opiumwet bestuursdwang kan toepassen ten aanzien van illegale verkooppunten, ongeacht of deze in woningen of andere lokalen zijn gevestigd. Bij woningen is dus voor sluiting niet langer verstoring van de openbare orde of vrees daartoe nodig.”

9.  Het is niet uitgesloten dat het besluit tot sluiting in de bestuursrechtelijke procedure geen stand houdt. In dat geval is de grondslag van de buitengerechtelijke ontbinding ondeugdelijk en is de onbindingsverklaring nietig, in die zin dat zij niet het beoogde rechtsgevolg heeft en dan ook niet leidt tot ontbinding van de overeenkomst (vgl. Hoge Raad 8 juli 2011, LJN BQ1684 r.o. 3.3.1). Bij de beoordeling van een vordering tot ontruiming op grond van een (nog) niet onherroepelijk besluit tot sluiting, dient de (civiele) rechter zich er dan ook rekenschap van te geven dat het besluit kan worden vernietigd en zal hij zich een oordeel moeten vormen over de kans dat het besluit vernietigd zal worden. Wanneer het besluit onherroepelijk is geworden, kan er in de ontruimingsprocedure tussen verhuurder en huurder uiteraard wel van worden uitgegaan dat een deugdelijke grondslag voor de buitengerechtelijke ontbinding
- het besluit tot sluiting, dat dan niet meer aantastbaar is – aanwezig is.

10.  Indien sprake is van een onherroepelijk besluit tot sluiting – en de verhuurder gerechtigd is de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden – dient de rechter, zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen, in de ontruimingsprocedure nog wel te beoordelen of het gebruik maken van de bevoegdheid tot ontbinding door de verhuurder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In dat kader dient, mede gelet op de uitspraak van het EHRM van 13 mei 2008 inzake McCann/Verenigd Koninkrijk (RvdW 2008, 857) te worden getoetst of de gevolgen van de ontruiming evenredig zijn aan het doel ervan, waarbij rekening moet worden gehouden met het woonbelang van [appellant]. Indien het sluitingsbesluit nog niet definitief is geworden dient deze belangenafweging ook plaats te vinden. In dat geval komt aan het woonbelang van de huurder groter gewicht toe naarmate onzekerder is of het sluitingsbesluit wel stand zal houden.

Zie LJN: BV2383. Zie voor het vonnis van de kantonrechter, LJN: BR3908

Dit arrest bevestigt hetgeen wat ik al betoogde in M. Vols & S.D. van Wijk, ‘Wet Victor en de proportionaliteitstoets uit artikel 8 EVRM’, WR Tijdschrift voor huurrecht 2011, 128. Uit art. 8 EVRM vloeit voort dat de proportionaliteit van  buitengerechtelijke ontbinding en de daarop volgende ontruiming door de rechter moet kunnen worden getoetst.

Zie ook Hof Den Bosch 24 januari 2012, LJN: BV1717